Hof 's-Gravenhage 16 juni 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AP3179
Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de veroordeelde door middel van of uit de baten van de in haar strafzaak bewezenverklaarde feiten en soortgelijke feiten voordeel heeft verkregen. Het hof is, gelet op de verklaring van de vertegenwoordiger van de veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep, tot de slotsom gekomen dat het hele wederrechtelijk verkregen voordeel is toegekomen aan [naam] in persoon. De vordering van het openbaar ministerie dient dan ook te worden afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl