Hof Leeuwarden 21 december 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BY7059
De verdachte wordt verdacht van moord subsidiair doodslag, gepleegd ten opzichte van haar echtgenoot. Het hof stelt allereerst vast dat sprake is van een misdrijf en niet van de door de verdediging gestelde zelfdoding door het slachtoffer. Over het aan de verdachte ten laste gelegde overweegt het hof het volgende. Het tactisch onderzoek heeft geen redengevende feiten en/of omstandigheden opgeleverd, op grond waarvan de betrokkenheid van de verdachte bij het aan haar ten laste gelegde kan blijken. De uit het tactisch onderzoek blijkende en voortvloeiende feiten en/of omstandigheden stijgen naar het oordeel van het hof niet uit boven de status van louter circumstantial evidence en kunnen als zodanig - zonder nader steunbewijs - geen redengevende feiten en/of omstandigheden voor het bewijs van het ten laste gelegde opleveren, noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang en in onderling verband bezien. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal hebben aangenomen, staat daarom naar het oordeel van het hof allerminst vast dat de verdachte op 9 of 10 oktober 2008 om het leven is gekomen. Voorts staat evenmin vast dat de verdachte in de middag van 10 oktober 2008 niet meer in leven was. Het hof is van oordeel dat de conclusies die aan het uitgevoerde DNA-onderzoek kunnen worden verbonden in casu grote beperkingen kennen. Het enkele aantreffen op de plaats van het delict, meer in het bijzonder op al dan niet intieme delen van het lichaam van het slachtoffer, van DNA-profielen die matchen met het DNA-profiel van de verdachte, kan hier niet redengevend zijn. De aanwezigheid van dat sporenmateriaal op de plaats van het delict kan zonder meer verklaard worden door het echtelijke (seksuele) contact tussen de verdachte en het slachtoffer, in de vorm van aanraaksporen en/of affectiesporen. De aanwezigheid van enkele bloedsporen, afkomstig van de verdachte, op de plaats van het delict en op het slachtoffer, kan heel goed verklaard worden door intiem echtelijk contact bij (beginnende) menstruatie van de verdachte. In dit verband wijst het hof op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof, inhoudende dat zij in de nacht van 9 op 10 oktober 2008 seksueel contact heeft gehad met het slachtoffer en dat zij op 10 oktober 2008 heeft bemerkt dat zij ongesteld geworden was. Dit onderdeel van de verklaring van de verdachte wordt niet weerlegd door de onderzoeksbevindingen en is niet in strijd met de onderzoeksbevindingen. Daarnaast kan op grond van de aanwezigheid van een DNA-profiel alleen geen uitspraak worden gedaan over het moment waarop het celmateriaal op de aangetroffen plaats terecht is gekomen. De in het diverse sporenmateriaal aangetroffen DNA-profielen die overeenkomen met het DNA-profiel van de verdachte kunnen daarom niet worden aangemerkt als een zogenaamd daderspoor of aan het ten laste gelegd delict gerelateerd spoor. In het bijzonder kan daaruit niet worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat dit celmateriaal ten tijde van het delict ter plaatse is achtergelaten. Het hof spreekt de verdachte vrij van het aan haar ten laste gelegde.
De uitspraak op rechtspraak.nl