Hof Leeuwarden 13 maart 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV8560

Verkeersongeval op 12 juni 2010, waarbij twee tienjarige meisjes om het leven zijn gekomen. Aan verdachte is overtreding van artikel 6, subsidiair artikel 5 WVW 1994 ten laste gelegd. De feitelijke uitwerking van beide varianten ziet op hetgeen is bedoeld in artikel 19 RVV, namelijk dat verdachte de brug, waarop het ongeval plaatsvond, met een zodanige snelheid is op- en overgereden, dat hij niet in staat was de door hem bestuurde personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarop hij de weg kon overzien en waarop deze vrij was. Het enkele gegeven dat verdachte zich niet bewust is geweest dat zich aan de overzijde van de 'bolle' brug laag bij het wegdek kinderen zouden bevinden en hij (derhalve) daarop niet heeft geanticipeerd door zijn op zichzelf toegestane snelheid te matigen acht het hof onvoldoende voor de conclusie dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gedragen, als gevolg waarvan een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden. Het hof spreekt verdachte eveneens vrij van het subsidiair ten laste gelegde, nu hij niet harder reed dan was toegestaan. Dat op het stukje rijbaan dat vóór en op het moment dat verdachte de brug opreed buiten zijn gezichtsveld lag, twee meisjes in de reeds genoemde (lage) positie aanwezig zouden zijn, acht het hof zodanig uitzonderlijk dat dit gegeven – ook naar objectieve maatstaven gemeten - niet als een normaal gesproken te verwachten verkeersverschijnsel kan worden beschouwd. Hieruit volgt dat aan verdachte geen verwijt kan worden gemaakt van overtreding van artikel 19 RVV. Aldus kan niet worden gezegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan onjuist, onvoorzichtig of gevaarzettend verkeersgedrag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen