Hof Leeuwarden 9 februari 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BL4424
Het hiervoor overwogene heeft betrekking op de rechtstreeks uit de WTBZ voortvloeiende verzetprocedures. Indien een dergelijk procedure een beslissing van de griffier of van de voorzitter van de betrokken kamer van het hof of de Hoge Raad betreft, kan derhalve verzet worden gedaan zonder verplichte procesvertegenwoordiging (Vgl. de door [appellante] overgelegde beslissing van de enkelvoudige familiekamer van het Hof Amsterdam van 24 maart 2009, nr. 200.028.036/01 en voormeld arrest van de HR van 23 mei 2003). Indien echter hoger beroep niet is toegelaten en desalniettemin beroep wordt ingesteld op grond van een beweerdelijk aanwezige "doorbrekingsgrond" is sprake van een zo eigensoortige procedure dat niet langer de aard en strekking van de onderliggende regeling bepalend is voor het procesrechtelijk regime. In dat verband kan de vergelijking worden gemaakt met een appel tegen een (in beginsel) niet appellabele beslissing op grond van artikel 7:685 BW, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. Ook in die procedure is in eerste aanleg geen sprake van verplichte procesvertegenwoordiging, doch onomstreden is dat die vertegenwoordiging in appel wel is vereist. Er is derhalve naar het oordeel van het hof op goede gronden beslist dat de hoofdregel van artikel 261 Rv van toepassing is zodat [appellante] zich in hoger beroep diende te voorzien van een procesadvocaat.
De uitspraak op rechtspraak.nl