Hof Leeuwarden 30 oktober 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BK2831
Afwijzing van het verzoek tot vaststelling van de betalingsverplichting op een lager bedrag. Artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering houdt een regeling in voor de tenuitvoerlegging van de maatregel ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel. Het tweede lid van die bepaling strekt ertoe te beoordelen of bij de veroordeelde sprake is van betalingsonmacht die aanleiding zou moeten zijn tot matiging of kwijtschelding van het vastgestelde bedrag. 1. Anders dan de advocaat van de veroordeelde veronderstelt strekt genoemd tweede lid er derhalve niet toe om het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een nieuw feitenonderzoek, zoals door de advocaat voorgesteld en dat niet de draagkracht van de veroordeelde betreft, op een lager bedrag vast te stellen. Een dergelijk onderzoek, waarmee de advocaat herziening beoogt van de uitspraak van het hof, zou in strijd zijn met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken. 2. In aanmerking genomen de recente datum van het arrest en de huidige en in de toekomst te verwachten verdiencapaciteit van verzoeker acht het hof het aangevoerde onvoldoende draagkrachtig om aannemelijk te maken dat verzoeker niet in staat is of zal zijn om binnen de termijn voor de verjaring van de executie de open staande vordering te voldoen.
De uitspraak op rechtspraak.nl