Hof Leeuwarden 8 september 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ7622

Op grond van hetgeen daaromtrent door de getuigen is verklaard, acht het hof het aannemelijk dat de e-mail van 16 maart 2006 is verzonden, en dat [betrokkene 1] de gemaakte afspraken daarmee heeft willen bevestigen. De inhoud van de mail stemt overeen met de verklaring van [betrokkene 1] en draagt om die reden bij aan de geloofwaardigheid daarvan. Het betoog dat de ontvangst van deze e-mail ook vast moet staan (wat niet het geval is), treft geen doel. Dit onderdeel van de grief gaat ten onrechte uit van de veronderstelling dat de e-mail [betrokkene 2] moet hebben bereikt om zijn werking te hebben. Het hof ziet namelijk niet in op welke werking Hanseland daarbij doelt, aangezien de e-mail niet meer beoogt dan reeds gemaakte afspraken te bevestigen en de verzending ervan de verklaring van [betrokkene 1] ondersteunt. Anders gezegd: het gaat er niet om of door de ontvangst van de e-mail verbintenissen tot stand zijn gekomen, maar of de verzending ervan voor het te leveren bewijs relevant is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen