Hof Leeuwarden 6 augustus 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BD9874
Op grond van art. 285 lid 1, aanhef en onder f, Faillissementswet moet in het verzoekschrift waarbij wordt verzocht om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling, een met reden omklede verklaring worden opgenomen dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. In art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Faillissementswet is bepaald dat het verzoek wordt afgewezen indien een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in art. 48 lid 1 Wet op het consumentenkrediet. [appellante] heeft onbetwist gesteld dat als gevolg van de omstandigheid dat de hypothecaire schuld de (getaxeerde) waarde van de woning overtreft, na verkoop van de woning sprake zal zijn van een restschuld aan de bank. Voorts is onbetwist gebleven haar stelling dat, zolang niet bekend is hoe groot deze schuld zal zijn, een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling als hiervoor bedoeld niet kan worden ondernomen. Daargelaten de vraag of de Groningse Kredietbank op juiste gronden heeft geweigerd om pogingen tot een buitengerechtelijke schuldregeling uit te voeren - deze vraag ligt immers in dit geding niet ter beoordeling voor - neemt het hof onder de hiervoor geschetste omstandigheden als vaststaand aan dat een minnelijk traject pas aan de orde kan zijn op het moment dat de in geding zijnde woning is verkocht. Gelet op het imperatieve karakter van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Faillissementswet heeft [appellante] derhalve terecht gesteld dat zij niet tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten zolang de situatie voortduurt dat de woning niet is verkocht. Dit brengt mee dat [appellante] over een voldoende spoedeisend belang bij een onmiddellijke voorziening bij voorraad beschikt, zodat de grieven doel treffen.
De uitspraak op rechtspraak.nl