Hof Leeuwarden 3 juli 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BD8787
Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Paspoortwet kan bij een aanvraag ten behoeve van een minderjarige die onder toezicht is gesteld en jonger is dan zestien jaar, indien één of beide personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen, weigeren een verklaring van toestemming als bedoeld in artikel 34, eerste lid, af te geven, in plaats van die verklaring een verklaring van toestemming van de bevoegde rechter worden overgelegd. Uit de Memorie van Toelichting van de Paspoortwet (MvT 1987-1988, 20393, nr. 3) volgt dat in het geval dat ouders hun verklaring van toestemming (alsnog) hebben ingetrokken, en het inmiddels afgegeven reisdocument niet kan worden ingeleverd of ingehouden omdat beide of een van de ouders weigeren het af te geven, teneinde de minderjarige het reizen te verhinderen, de houder (degene op wiens naam het reisdocument is gesteld en ten behoeve van wie het is uitgereikt) die alsdan een aanvraag heeft ingediend voor een nieuw reisdocument en daartoe beschikt over een vervangende verklaring van toestemming, een nieuw reisdocument kan worden verstrekt. Het reisdocument, dat niet kon worden ingehouden, vervalt alsdan van rechtswege. Een soortgelijke situatie doet zich hier voor. Allereerst zijn de ouders niet bereid het op naam van [de minderjarige] gestelde paspoort direct af te geven aan Bureau Jeugdzorg. Zij willen Bureau Jeugdzorg evenmin een verklaring van toestemming als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet geven. Deze weigerachtige houding van de ouders heeft tot gevolg dat [de minderjarige] wordt verhinderd samen met zijn pleegouders te reizen naar het buitenland. Ondanks het feit dat in onderhavig geval geen sprake is van een intrekken van toestemming door de ouders dient de onderhavige situatie daarmee gelijk gesteld te worden. [..] Het hof is van oordeel dat [de minderjarige] niet de dupe mag worden van de verstoorde relatie tussen de ouders en Bureau Jeugdzorg. Partijen dienen hun onderlinge communicatie over de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en over de daarvan deeluitmakende omgangsregeling op de voor [de minderjarige] minst belastende manier gestalte te geven. Het is uit den boze dat de ouders [de minderjarige] daarbij inzetten als speelbal. Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Paspoortwet kan de rechter een vervangende verklaring van toestemming afgeven op verzoek van Bureau Jeugdzorg. De rechter geeft een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voortkomt. Uit de stukken is gebleken dat [de minderjarige] een paspoort nodig heeft om met het pleeggezin waarvan hij op dit moment deel uitmaakt op vakantie te kunnen gaan. Ook wil het pleeggezin regelmatig met [de minderjarige] naar Duitsland om daar boodschappen te doen. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij als lid van het gezin van de pleegouders met hen mee kan bij hun uitstapjes naar het buitenland. Het is in elk geval wenselijk dat [de minderjarige] niet de mogelijkheid wordt onthouden om op vakantie naar het buitenland te gaan met het gezin waar hij nu deel van uitmaakt. Reeds hierom dient Bureau Jeugdzorg vervangende toestemming te krijgen voor het aanvragen van een nieuw paspoort ten behoeve van [de minderjarige]. Na verstrekking van dit paspoort zal het paspoort dat de ouders weigeren af te geven van rechtswege vervallen op grond van artikel 50, tweede lid, van de Paspoortwet.
De uitspraak op rechtspraak.nl