Hof Leeuwarden 9 juli 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BD7200
Voor zover de curator (primair) bedoeld heeft te betogen dat de verpandingen op 24 oktober 2002 uitsluitend strekten tot zekerheid voor de terugbetaling van de op die datum opnieuw toegestane overstand boven de bestaande kredietlimiet (en dus niet voor de toen reeds bestaande schuld), heeft hij die stelling niet voldoende onderbouwd. Hij baseert die stelling slechts op een onjuiste lezing van de stellingen van ING in de onderhavige procedure en op rechtsoverwegingen in een vonnis tussen ING en [betrokkene 1 ], dat tussen de partijen in deze procedure evenwel geen gezag van gewijsde toekomt. Het hof tekent hierbij aan dat het enkele gegeven dat de kredietverhoging voor ING aanleiding is geweest de zekerheden in relatie tot de omvang van de totale schulden opnieuw tegen het licht te houden aan het voorgaande niet af doet. Voorts merkt het hof op dat de curator in dit verband uit het oog lijkt te verliezen dat ook de vorderingen pas op 24 oktober 2002 zijn verpand, tegelijk met de verpanding van de voorraden en inventaris en dat uit niets blijkt dat de vorderingen werden verpand ter dekking van de bestaande schuld en de voorraden en de inventaris werden verpand ter dekking van de toegestane verhoging.
De uitspraak op rechtspraak.nl