Hof Leeuwarden 25 juni 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5872
Naar het oordeel van het hof brengt de enkele omstandigheid dat de vennootschap de helft van het bij de onderhavige factuur in rekening gebrachte bedrag heeft voldaan, nog niet met zich dat zij daarmee haar recht heeft verwerkt om de verschuldigdheid daarvan alsnog te betwisten. Daarbij is van belang dat ten tijde van de betaling sprake was van een vermeende schuld. Gesteld noch gebleken is immers dat de vennootschap zich er ten tijde van de betaling van bewust is geweest dat voor die betaling geen rechtsgrond aanwezig was. Integendeel, de NVM stelt zich ook thans nog op het standpunt dat er wèl een rechtsgrond voor die betaling aanwezig was. Nu uit de beoordeling van de grieven II tot en met VI volgt dat de betaling zonder rechtsgrond heeft plaatsgevonden, is de vennootschap gerechtigd het door haar betaalde bedrag terug te vorderen en is Raadhuis c.s. niet gehouden het door de NVM gevorderde bedrag - te weten de andere helft van het gefactureerde bedrag - te voldoen.
De uitspraak op rechtspraak.nl