Hof Leeuwarden 25 juni 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5818
Het hof overweegt dat ook indien er - geheel veronderstellenderwijs - van wordt uitgegaan dat [geïntimeerde] over de door het UWV bedoelde (geobjectiveerde) wetenschap [van de door betrokkene - haar echtgenoot - gepleegde fraude] beschikte, het UWV daarmee niet op toereikende wijze feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens het UWV heeft gehandeld. Het enkele weten of behoren te weten dat (mogelijk) wordt gefraudeerd en het vervolgens niet handelen daartegen kan in de gegeven omstandigheden van het geval, daarbij mede gelet op de huwelijksrelatie met [betrokkene 1 ], zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
De uitspraak op rechtspraak.nl