Hof Leeuwarden 4 juni 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BD3731

Naar 's hofs voorlopig oordeel heeft [appellant] onvoldoende duidelijk gemaakt welke concrete inspanningen van de RuG nog hadden mogen worden verwacht. Niet alleen is onweersproken dat de RuG alle in aanmerking komende (geaffilieerde) ziekenhuizen heeft benaderd, en dat deze allen geweigerd hebben een plaats aan te bieden aan [appellant]. [appellant] heeft voorts in onvoldoende mate onderbouwd zijn stelling - die door de RuG gemotiveerd is betwist - dat van de RuG redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij ook niet-geaffilieerde ziekenhuizen en/of buitenlandse ziekenhuizen benadert voor een plaatsing van [appellant]. Derhalve kan er in dit kort geding niet vanuit worden gegaan dat de RuG, door zulks na te laten, in strijd met een op haar, de RuG, rustende zorgvuldigheidsplicht heeft gehandeld jegens [appellant]. Bij het voorgaande neemt het hof ook in aanmerking dat [appellant] zelf ook debet is aan het mislukken van eerdere co-assistentschappen, en, als gevolg daarvan, aan de weigering van geaffilieerde ziekenhuizen om hem (opnieuw) te plaatsen als co-assistent. Het hof leidt dit af uit de hiervoor aangehaalde brief van 10 september 2001, waarvan de inhoud niet gemotiveerd weersproken is door [appellant]. Overigens heeft [appellant] zelf ook nog, zo blijkt uit de bij de memorie van grieven gevoegde producties, een aantal ziekenhuizen benaderd voor een plaatsing als co-assistent, echter zonder succes; ook in dit licht is niet duidelijk welke inspanningen redelijkerwijs nog van de RuG zouden kunnen worden gevergd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen