Hof Leeuwarden 26 maart 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BC8278
[appellant] heeft voorts gevorderd - naar het hof begrijpt subsidiair voor het geval het hof niet reeds aanstonds tot toewijzing van de vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging komt - dat het hof prejudiciële vragen aan het HvJ EG te Luxemburg stelt ter uitlegging van artikel 47 lid 3 EEX-Vo. Voorts vordert [appellant] dat het hof, hangende de behandeling van het betreffende verzoek tot uitlegging door het HvJ EG, [de vleesgroothandel] zal bevelen zich te onthouden van executiemaatregelen van het vonnis van de rechtbank te Turnhout van 6 september 2006 of van de voorbereiding daarvan. Het hof wijst erop dat onder artikel 2 lid 2 van het zogenaamde uitleggings-Protocol bij het EEX-Verdrag weliswaar de voorzieningenrechter in kort geding geen prejudiciële vragen mocht stellen, maar het hof in hoger beroep in kort geding deze bevoegdheid wel had. Met betrekking tot de uitleg van de thans toepasselijke EEX-Vo komt de bevoegdheid tot het stellen van prejudiciële vragen echter alleen de HR toe (artikel 234 iuncto artikel 68 EG-Verdrag). De als subsidiair aangeduide vordering van [appellant] strandt hierop, zodat [appellant] met betrekking tot deze vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl