Hof Leeuwarden 5 december 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB9816

Tussen partijen staat vast dat [appellant] ten tijde van het aanbod aan [de verkoper] bij brief van 2 september 1992 niet beschikte over een schriftelijke volmacht van [geïntimeerde 1]. Ook staat vast dat [geïntimeerde 1] nadien - medio oktober 1992 - op verzoek van [appellant] de hiervoor onder 3.8 vermelde boedelvolmacht heeft ondertekend. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat die boedelvolmacht geen volmacht impliceerde om de boerderij aan [de verkoper] aan te bieden. Het mag zo zijn dat de inhoud van de boedelvolmacht gelet op de tekst daarvan als "ruim" valt te kwalificeren en onder meer inhield een machtiging om [geïntimeerde 1] ter zake van de nalatenschap van [de koper] te vertegenwoordigen en te dien einde "roerende en onroerende goederen en zaken te verkopen en te leveren", waar het echter om gaat is of [appellant], hetgeen de Erven hebben bestreden, die boedelvolmacht heeft kunnen en mogen opvatten als een tot hem gerichte verklaring van [geïntimeerde 1] die (mede) de strekking had - achteraf - aan hem de bevoegdheid te verlenen om namens [geïntimeerde 1] het onderwerpelijke aanbod aan [de verkoper] te doen. De in de vorige rechtsoverweging gestelde vraag moet naar het oordeel van het hof reeds ontkennend worden beantwoord, omdat [appellant] zelf die boedelvolmacht destijds en ook in de maanden daarna kennelijk niet als zodanig heeft beschouwd. Het hof leidt dat af uit de hiervoor onder 3.12 en 3.13 geciteerde passages [..]. Bovendien maakt [appellant] er in die beide brieven op geen enkele wijze melding van dat hij zijn bevoegdheid om (mede) namens [geïntimeerde 1] het onderhavige aanbod aan [de verkoper] te doen, zij het achteraf, kon ontlenen aan de door [geïntimeerde 1] ondertekende boedelvolmacht, althans mocht menen dat te hebben kunnen doen. Het had voor de hand gelegen dat [appellant], jurist en notaris, daarvan toen wel melding zou hebben gemaakt indien hij van mening zou zijn geweest dat de boedelvolmacht als een instemming van [geïntimeerde 1] met dat aanbod mocht worden beschouwd, te meer nu het betreft correspondentie met (voormalige) advocaten van [de verkoper], die geconfronteerd werd met het standpunt van [geïntimeerde 1] dat hij [appellant] opdracht noch machtiging had gegeven om namens hem de boerderij aan haar aan te bieden. Daarbij komt dan nog dat [appellant] er blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor van 30 juni 2004 vanuit ging dat de volmacht in kwestie niet inhield dat hij gemachtigd was om een onroerende zaak te verkopen en te leveren. Het hof deelt derhalve niet de mening van [appellant] dat de rechtbank zijn getuigenverklaring op het punt van de boedelvolmacht onjuist heeft geïnterpreteerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl