Hof Leeuwarden 9 juli 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB2003
Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd ter zake van "als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden". De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht en voert hiertoe aan geen mobiele telefoon bij zich te hebben. De betrokkene voert verder aan dat hij de verbalisanten heeft aangeboden hem te fouilleren en zijn auto te doorzoeken. de kantonrechter heeft het beroep gegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het verweer indien juist de betrokkene volledig zou kunnen ontlasten en dat de verbalisanten door dit verweer niet nader te onderzoeken de kans hebben laten lopen hun constatering volledig te doen zijn en dat onder die omstandigheden die constatering niet tot het opleggen van een sanctie kan leiden. De officier van justitie heeft vervolgens hoger beroep ingesteld en heeft zich op het standpunt gesteld dat de verbalisanten niet op het aanbod van de betrokkene om de auto te onderzoeken en hem te fouilleren behoefden in te gaan. Het hof stelt voorop dat geen rechtsregel eraan in de weg stond om de betrokkene bij diens staandehouding te fouilleren en diens auto te onderzoeken. De betrokkene heeft daartoe immers vrijwillig toestemming gegeven. Noch de WAHV noch enige andere rechtsregel verplichtte de verbalisanten in casu ertoe om tot fouillering van de betrokkene en het onderzoeken van diens voertuig over te gaan. Weliswaar kan een betrokkene daardoor in zijn verdedigingsmogelijkheden worden beperkt, maar dat brengt niet mee dat de verbalisanten door niet in te gaan op het aanbod van de betrokkene in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, hebben gehandeld. Beslissing van de kantonrechter vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl