Hof Leeuwarden 11 juli 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BA9533
Voor het eerst in hoger beroep heeft TIP bij wijze van subsidiaire grondslag aangevoerd dat [appellant] als feitelijk bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld door niet te voorkomen dat de op 21 november 2000 aan de BV geleverde polystroppen aan [naam 2] werden doorgeleverd. [appellant] heeft bij gelegenheid van de gehouden pleidooien opgemerkt dat hij deze doorlevering op die datum inderdaad heeft bewerkstelligd, nadat hem van de vervroegde levering was gebleken en hij daar (niet telefonisch, zoals getuige [getuige 1] heeft verklaard, maar) op het kantoor van de BV met [getuige 1] persoonlijk over had gesproken. TIP stelt schade te hebben geleden doordat het eigendomsvoorbehoud dat zij op de polystroppen beweert te hebben bedongen door deze doorlevering verloren is gegaan. Zij verwijst daarbij naar haar factuur van 21 november 2000. Hiermee kon TIP echter niet volstaan; zij had feiten en omstandigheden dienen aan te voeren die - zo nodig na bewijslevering - de conclusie rechtvaardigen dat het genoemde voorbehoud tussen TIP en de BV is overeengekomen. Het enkele feit dat zij achteraf een factuur heeft verzonden waarop melding wordt gemaakt van een eigendomsvoorbehoud, kan niet tot een dergelijke conclusie leiden. Voor het overige is deze stelling niet onderbouwd, en ook afgezien daarvan rechtvaardigt hetgeen TIP heeft aangevoerd niet de conclusie dat zij door de doorlevering van de polystroppen schade heeft geleden. In het bijzonder is niet voldaan aan hetgeen daaromtrent in artikel 7:42 lid 1 BW omtrent het recht van reclame is bepaald.
De uitspraak op rechtspraak.nl