Hof Leeuwarden 6 juni 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BA6749

In het onderhavige geval staat vast dat ingevolge de gewraakte verdeling de woning. c.a., met daarop een aanzienlijke overwaarde, aan [geïntimeerde 2] is toegedeeld. Voorts is van belang dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden geen hoofdelijkheidsclausule (zogenaamde Dozy-clausule) zijn overeengekomen. Als gevolg hiervan kan appellant voor zijn vordering geen verhaal meer zoeken op de woning c.a., of hooguit nog voor de helft in het geval zijn vordering, zoals hij stelt maar [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betwisten, voor de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is ontstaan (artikel 1: 102 BW). [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben niet gesteld dat het overige vermogen van [geïntimeerde 1] (inclusief het aan hem toegedeelde deel van de huwelijksgoederengemeenschap) een zodanige omvang en samenstelling heeft dat [appellant] door uitwinning daarvan in dezelfde positie zou kunnen komen verkeren als in de situatie waarin hij zich op de woning c.a. zou hebben kunnen verhalen.

De uitspraak op rechtspraak.nl