Hof Leeuwarden 18 april 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BA3483

Tussen partijen staat vast dat geïntimeerde op 25 januari 1999 tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor het metselbedrijf lichamelijk letsel heeft opgelopen doordat een deel van een gemetselde muur naar beneden is gevallen en op hem terecht is gekomen. Dat hij daardoor - ook - pijn heeft geleden spreekt naar het oordeel van het hof voor zich. Bovendien heeft geïntimeerde onweersproken gesteld dat zulks het geval is geweest (vgl. de dagvaarding in eerste aanleg onder 6). Dat rechtvaardigt de conclusie dat [geïntimeerde] ten gevolge van het ongeval in elk geval immateriële schade heeft geleden, welke schade zich laat vertalen in een geldsom (smartengeld). De vordering van geïntimeerde ziet mede op vergoeding van dergelijke schade. Voor toepassing van artikel 7:658 lid 2 BW is voor wat het daarin voorkomende element schade betreft voldoende dat (enige) schade is geleden en daaraan is gelet op het voorgaande naar het oordeel van het hof in dit geval voldaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen