Hof Leeuwarden 18 oktober 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ0540
Naar 's hofs oordeel kan de voorwaarde op zich beschouwd niet gezien worden als het gedeelte van de uitspraak dat in de plaats treedt van de akte dan wel, zoals hier het geval, een deel van de akte. Echter de rechtszekerheid die de inschrijving van een ingesteld hoger beroep beoogt te bieden kan naar 's hofs oordeel slechts dan worden bereikt wanneer uit de registers bedoeld in art. 433 Rv ook blijkt of hoger beroep is ingesteld tegen een voorwaarde als bedoeld in art. 3:301, lid 3 BW, nu de voorwaarde moet zijn vervuld alvorens de uitspraak in de plaats kan treden van - in dit geval - de wilsverklaring van één van partijen. Daarvoor moet dan ook vast staan hoe de voorwaarde luidt. Het hof is daarom van oordeel dat in dit geval inschrijving van het ingestelde hoger beroep had moeten plaatsvinden voor zover het beroep betrekking heeft op het deel van de uitspraak dat de voorwaarde behelst en/of daarmee onverbrekelijk is verbonden. Dat brengt derhalve mee dat nu geen inschrijving heeft plaatsgevonden [appellant] niet in het door hem ingestelde hoger beroep kan worden ontvangen, waar dat beroep betreft de in het dictum van het vonnis van 20 april 2005 in punt 3 en 4 gegeven beslissingen.
De uitspraak op rechtspraak.nl