Hof Leeuwarden 18 oktober 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ0424

Het hof is dan ook van oordeel dat de brief van 16 september 2004 niet kan worden aangemerkt als een handeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW waardoor de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ex artikel 7:681 BW zou zijn gestuit (vergelijk ook HR 15-4-2005, NJ 2005, 484). Op grond van hetgeen hiervoor onder 12 is overwogen is het hof tevens van oordeel dat hetzelfde geldt voor de vorderingen van [appellant] die strekken tot herstel van de arbeidsovereenkomst, gecombineerd met schadevergoeding, uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag (artikel 7:682 lid 1 en 2 BW) respectievelijk tot schadevergoeding uit hoofde van de onregelmatigheid van de opzegging (artikel 7: 677 lid 2 BW). Daarbij komt dan nog dat de hiervoor in deze overweging bedoelde vorderingen, welke alle uitgaan van de geldigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, voor de toepassing van artikel 3:317 lid 1 BW niet op één lijn kunnen worden gesteld met de vordering, waarvan in de brief van 16 september 2004 sprake is. In die brief gaat het immers om een vordering tot (door)betaling van loon c.a., welke is gegrond op de vernietigbaarheid van de opzegging en daarmee op het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen