Hof Leeuwarden 27 juli 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AY5380

Met betrekking tot het vertrouwensbeginsel geldt het volgende. Uitgangspunt is dat het openbaar ministerie rekening dient te houden met de beginselen van een behoorlijke procesorde, welke onder meer meebrengen dat de voor het justitiële beleid verantwoordelijke organen niet handelen naar willekeur, doch - tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen zouden verzetten - in gebondenheid jegens de verdachte aan toezeggingen welke bij laatstgenoemde gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is niet gebleken. Integendeel, uit getuigenverklaringen van medewerkers van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV, thans opgegaan in de VWA) en de AID zoals die ter zitting van het hof van 13 juli 2006 zijn afgelegd, is naar voren gekomen dat (bij herhaling) aan verdachte duidelijk is gemaakt dat het hem niet was toegestaan schapen van een schapenverzamelcentrum af te voeren naar een ander schapenverzamelcentrum. Voorts kon verdachte uit de opstelling van de AID en het openbaar ministerie afleiden dat deze zich op het standpunt stelden dat haar handelingen strafrechtelijk niet door de beugel konden en dat zij daarvoor mogelijk vervolgd zou worden. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep op schending van het vertrouwensbeginsel te worden verworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen