Hof Leeuwarden 7 juni 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AX7469
Anders dan [appellant] bij memorie van grieven ingang tracht te doen vinden, is het hof, mede gelet op de (ingrijpende) gevolgen die de erfopvolging in het onderhavige geval voor het overige vermogen van [geïntimeerde 2] in geval van een zuivere aanvaarding zou hebben, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan de verplichting om aan de levering van de onroerende zaak mee te werken, van oordeel dat geen sprake is van misbruik van de aan hem als erfgenaam toegekende bevoegdheid om de nalatenschap van de erflater onder het voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden, terwijl zijn handelwijze evenmin is aan te merken als paulianeus. Het standpunt van [appellant] dat de litigieuze aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving nietig zou zijn, moet dan ook worden verworpen. Voorts is de handelswijze van [geïntimeerde 2] naar het oordeel van het hof evenmin in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde 2], [appellant] en [geïntimeerde 1] als deelgenoten in de tussen hen bestaande gemeenschap beheerst.
De uitspraak op rechtspraak.nl