Hof Leeuwarden 31 mei 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AX6402
Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat sprake is van causaal verband tussen enerzijds de rond 1972 uitgevoerde waterstaatkundige werkzaamheden, de daarmee gepaard gaande peilverlaging en het ontbreken van voldoende compensatoire maatregelen en anderzijds de opgetreden verzakkingsschade aan de woning van [appellant], oordeelt het hof evenwel dat van voor een ieder verborgen karakter van de schade, dat gedurende lange tijd heeft bestaan, in dit geval geen sprake is geweest. De verlaging van het waterpeil in de wegsloot ten opzichte van het peil van de [de vaart] was voor een ieder zichtbaar; over de mogelijke gevolgen van deze peilverlaging voor de fundering van de woonboerderij heeft de heer [naam appellant] sr. zich op 29 september 1972 reeds bij de ruilverkaveling beklaagd (zie r.o. 2.3). Het hof ziet dan ook geen reden om in dit geval een parallel te trekken met de bodemverontreiniging als aan de orde was in de arresten van 9 oktober 1992 (vgl. ook HR 7 december 2001 LJN: AD3954, Jol 2001/734, conclusie AG De Vries Lensch - Kostense). Dit brengt met zich dat de vordering tot vergoeding van de schade aan de woonboerderij, voor zover die het gevolg is van een onrechtmatig optreden van het waterschap Boarnferd in 1972 - daaronder begrepen het niet adequaat reageren op klachten van [appellant] sr, al aangenomen dat die klachten het waterschap hebben bereikt - is verjaard op 1 januari 1978. Dat binnen die verjaringstermijn stuiting heeft plaatsgevonden, is gesteld noch gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl