Hof Leeuwarden 10 mei 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AX6399
Het hof is, anders dan de vrouw, van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat de rechter die op het verzoek tot herroeping heeft te beslissen tot het oordeel komt dat de aard van een alimentatiebeschikking zich niet verzet tegen een verzoek tot herroeping. Naar het oordeel van het hof heeft de man zich op de voet van het bepaalde in artikel 390 Rv kunnen wenden tot het hof met zijn verzoek de beschikking van het hof van 14 januari 2004 en de beschikking van 18 april 2001 te herroepen en naar het hof begrijpt -in het verlengde daarvan- het geding betreffende de omvang van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (gedeeltelijk) te heropenen. In het licht van het vorenstaande dient te worden aangenomen dat aan de man ook de mogelijkheid als verwoord in de tweede volzin van artikel 386 Rv, ter beschikking staat om zich tot de rechter die over de herroeping oordeelt te richten met het verzoek om, bij wege van voorlopige voorziening, de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking te schorsen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 382 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 386 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 388 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 390 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 391 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 438 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1:401 BW1