Hof Leeuwarden 3 mei 2006, ECLI:NL:GHLEE:2006:AX1376
In het licht van al het vorenstaande komt het hof dan ook tot het oordeel dat er geen aanleiding is de behandeling van deze zaak tot een nadere zitting aan te houden, teneinde de rechter/rechtbank in Texas (alsnog) in de gelegenheid te stellen een verweerschrift in te dienen en/of de betreffende rechter/rechtbank (alsnog) voor zodanige (nadere) zitting op te roepen. Gelet op hetgeen hiervoor met name in de rechtsoverwegingen 21 en 25 is overwogen en gelet op artikel 1:329 BW, een en ander in onderlinge samenhang beschouwd, leidt het hof daaruit af dat de kantonrechter met haar beschikking kennelijk wenst(e) te bewerkstelligen dat de raad naar aanleiding van een door hem ingesteld onderzoek zou overwegen een verzoek tot ontzetting van het LJ&R uit de (tijdelijke) voogdij in te dienen. Waar de (tijdelijke) voogdij een zaak betreffende minderjarigen betreft, kon en mocht de kantonrechter - zoals zij zelf aangeeft ambtshalve - de raad verzoeken een nader onderzoek in te stellen als door haar in haar beschikking omschreven. Daarbij is niet van belang of de kantonrechter haar beslissing om een onderzoek door de raad te gelasten heeft gebaseerd op - kort gezegd - de bepalingen betreffende (en verzoek tot) ontzetting van de (tijdelijke) voogdij dan wel op de algemene bepalingen die zien op zaken betreffende minderjarigen als bedoeld in artikel 810 Rv. Nu de kantonrechter in een zaak als deze de bevoegdheid heeft en had om ook zonder een daartoe strekkend verzoek van wie dan ook ambtshalve een onderzoek te laten uitvoeren door de raad als door haar in haar beschikking gelast, vloeit daaruit tevens voort dat het hof de klacht van de raad dat hij, anders dan door de kantonrechter overwogen, niet de suggestie tot zodanig onderzoek heeft gedaan, verder onbesproken kan laten. Waar de beslissing van de kantonrechter derhalve een ambtshalve beslissing betreft en waar zij niet door een uitdrukkelijk dictum aan het geding omtrent enig deel van het verzochte [verzoek tot ontzetting van het LJ&R uit de tijdelijke voogdij van de minderjarige] een einde heeft gemaakt, is er alleen hierom al sprake van een (voorbereidende) tussenbeschikking.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 75 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 358 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 810 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1:250 BW1
- Artikel 1:326 BW1
- Artikel 1:327 BW1
- Artikel 1:328 BW1
- Artikel 1:329 BW1
- Artikel 1:367 BW1
- Artikel 6 EVRM