Hof Leeuwarden 31 augustus 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AU1870
Beide partijen hebben ten pleidooie desgevraagd aangegeven dat het geschil naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld. Het hof merkt dit aan als een rechtskeuze als bedoeld in artikel 3, eerste lid van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO), zodat het hof Nederlands recht zal toepassen. Daarbij heeft AMS geopteerd voor het Nederlandse recht inclusief het Weens Koopverdrag (Trb. 1981, 184) terwijl Pedro Boat de toepasselijkheid van dit verdrag in het midden heeft gelaten. Uitgaande van de keuze voor Nederlands recht oordeelt het hof dat, gelet op artikel 2 van de Wet van 18 december 1991 (Stb 753) de toepasselijkheid van het Nederlandse recht ook de toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag impliceert op een internationale koop van roerende zaken in de zin van dat verdrag. Overigens zijn zowel Zwitserland als de Tsjechische Republiek verdragsluitende staten, zodat ook langs de weg van artikel 1, eerste lid onder a van het Weens Koopverdrag dit verdrag van toepassing is.
De uitspraak op rechtspraak.nl