Hof Leeuwarden 25 mei 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AT7070

Kern van het geschil. [geïntimeerde] heeft in september 2000 aan [appellant] de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] verkocht. In art. 15 lid 1 sub a van de koopovereenkomst is bepaald dat de overeenkomst ontbonden kan worden, indien met betrekking tot de verwezenlijking van een gepland project op het verkochte geen vrijstelling wordt verleend als bedoeld in art. 19 WRO. [appellant] heeft zich hierbij verplicht om al datgene te doen wat nodig is ter verkrijging van deze vrijstelling. Bij brief d.d. 6 juni 2002 van zijn raadsman heeft [geïntimeerde] een beroep gedaan op deze ontbindende voorwaarde, omdat volgens hem gebleken was dat de gemeente het verzoek ex art. 19 WRO heeft afgewezen. Omdat [appellant] de geldigheid van deze ontbinding betwistte heeft hij conservatoir beslag tot levering op de onroerende zaak doen leggen. Op vordering van [geïntimeerde] heeft de voorzieningenrechter dit beslag opgeheven, omdat hij van oordeel was dat [geïntimeerde] de overeenkomst op goede gronden heeft ontbonden, aangezien - kort gezegd - van [geïntimeerde] na twee jaar wachten niet gevergd kon worden dat hij nog langer zou wachten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen