Hof Leeuwarden 30 juni 2004, ECLI:NL:GHLEE:2004:AP5415
Het hof leidt uit de stukken van het geding af dat de curator en [eerste hypotheekhouder] als eerste hypotheekhouder in onderling overleg hebben besloten tot de onderhavige onderhandse verkoop van het bedrijf van [failliet]. Bij deze onderhandse verkoop, waaraan de rechter-commissaris op 1 maart 2001 haar toestemming heeft verleend, is de vermeend (formele) curator (...) als verkoper opgetreden. Een en ander brengt naar het oordeel van het hof mee dat geen sprake is geweest van een onderhandse verkoop als bedoeld in de artikelen 3:268 BW en 548 Rv. (...) Nu te dezen niet de weg is gevolgd van de met allerlei voor belanghebbenden, zoals de tweede hypotheekhouder, waarborgen omklede, wettelijk geregelde onderhandse verkoop als bovenbedoeld, lag het naar het oordeel van het hof op de weg van de curator om [appellant] als tweede hypotheekhouder tijdig op de hoogte te brengen van de voorgenomen verkoop en de verkoopprijs en tevens om [appellant] in de gelegenheid te stellen om eventueel een beter aanbod te vinden c.q. te doen.
De uitspraak op rechtspraak.nl