Hof Den Haag 13 oktober 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:3006
Gefailleerde onderneming. Bestuursaansprakelijkheid op grond van art. 2:248 lid 1 BW. Ruzie tussen bestuurders. Geen disculpatie op grond van art. 2:248 lid 3 BW. Ontvankelijkheid in hoger beroep omdat art. 140 lid 3 Rv toepassing vindt.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.347.999/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/675214 / HA ZA 24-221
Arrest van 13 oktober 2026
in de zaak van
1 [appellant],
wonend in [woonplaats],
2. [beheer] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
[appellanten],
advocaat: mr. P.F. Keuchenius, kantoorhoudend in Hoorn,
tegen
Mr. Jesse Meerkerk Q.Q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap [vennootschap] B.V.,
kantoorhoudend in Dordrecht,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.F. Ammerlaan, kantoorhoudend in Dordrecht.
Het hof noemt partijen [appellant] en [beheer], gezamenlijk [appellanten], en de curator.
1 De zaak in het kort
1.1 [vennootschap] B.V. is op 16 november 2021 failliet verklaard door de rechtbank Rotterdam. De curator heeft de bestuurders van deze vennootschap, [appellant] en zijn broer [broer] en hun houdstervennootschappen, aansprakelijk gehouden voor de schulden in het faillissement. De curator heeft met [broer] tijdens de procedure bij de rechtbank een schikking getroffen, waarna de curator bij akte de vordering op [broer] en diens houdstervennootschap tot nul heeft teruggebracht. [appellanten] zijn in eerste aanleg niet verschenen in de procedure. Zij zijn door de rechtbank hoofdelijk aansprakelijk bevonden voor het resterende boedeltekort en veroordeeld tot betaling van een bedrag gelijk aan de openstaande schulden van de vennootschap en een voorschot van € 350.000 op het faillissementstekort. In hoger beroep komen zij op tegen dit oordeel van de rechtbank. Volgens de curator zijn zij daarin niet ontvankelijk, omdat zij niet hoger beroep, maar verzet hadden moeten instellen.
1.2 Het hof oordeelt dat [appellanten] ontvankelijk zijn in het hoger beroep. Verder komt het hof tot het oordeel dat sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur dat tot het faillissement heeft geleid. Het onbehoorlijk bestuur is niet alleen [broer], maar ook [appellant] aan te rekenen. Het hof stelt de curator in de gelegenheid zich bij akte uit te laten over de omvang van het boedeltekort.
2 Procesverloop in hoger beroep
2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 7 oktober 2024, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 augustus 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:7580);
de memorie van grieven van [appellanten], met bijlagen;
de memorie van antwoord van de curator, met bijlagen;
de akte uitlating producties van [appellanten];
de antwoordakte van de curator.
2.2 Op 10 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellanten] hebben toen bijlagen overgelegd. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het procesdossier.
3 Feitelijke achtergrond
3.1 De rechtbank heeft geen feiten vastgesteld. Het hof gaat uit van de onderstaande feiten, die door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.
3.2 [vennootschap] B.V. is op 25 maart 2003 opgericht. De aandelen in [vennootschap] werden gehouden door Hak Vastgoed B.V., waarvan de aandelen werden gehouden door de besloten vennootschappen (hierna: houdstervennootschappen) van [appellant] en diens broer [broer]. [beheer] is de houdstervennootschap van [appellant].
3.3 Tot aan haar faillissement was [vennootschap] een middelgroot bedrijf met regionale bekendheid, dat zich bezighield met cv-installaties en -onderhoud, sanitair, lood-, koper- en zinkwerk en het plaatsen van warmtepompen. De dagelijkse leiding van [vennootschap] lag bij beide broers, die middels hun respectievelijke houdstervennootschappen de bestuurders waren. De financiële administratie was in handen van werkneemster [werknemer 1]. Met de aansturing van de projecten was werknemer [werknemer 2] belast. In september 2020 heeft [werknemer 2] ontslag genomen met ingang van 1 november 2020. Op 22 oktober 2020 heeft hij Installatietechniek Gorinchem (ITG) opgericht.
3.4 In de jaren 2016 en 2017 heeft [appellant] een burn-out gehad. Daarna is de relatie tussen hem en [broer] verslechterd. Pogingen van [appellant] en [broer] om de samenwerking binnen het bedrijf te ontvlechten door overname van aandelen zijn niet gelukt.
3.5 Op 14 juli 2021 heeft [broer] opdrachtgevers van [vennootschap] ingelicht over de verslechterde financiële situatie. Hij heeft de volgende dag het personeel van [vennootschap] geadviseerd ander werk te zoeken.
3.6 [vennootschap] is bij vonnis van 16 november 2021 van de rechtbank Rotterdam failliet verklaard. Mr. Van Meerkerk is als curator aangesteld.
3.7 Op 3 januari 2022 is (een deel van) de onderneming van [vennootschap] verkocht en geleverd aan Multi Ship 2000 B.V. handelend onder de naam H.I.S., een vennootschap van een kennis van [appellant]. Hiervoor is een bedrag van € 240.000,- betaald aan de boedel.
3.8 Bij e-mail van 5 juli 2022 heeft de curator aan de advocaten van beide broers bericht dat hij [onderzoeker] van Verstegen Forensics opdracht heeft gegeven een onafhankelijk feitenonderzoek naar de oorzaken van het faillissement uit te voeren. [onderzoeker] heeft op 22 juni 2023 een onderzoeksrapport uitgebracht. Hierin staat onder meer dat gedurende de periode 2016 tot en met medio 2021 geen sprake was van een door externe factoren veroorzaakte daling van de omzet of stijging van de kosten. Interne oorzaken voor de verslechtering van de bedrijfsresultaten waren er wel. In het onderzoeksrapport worden genoemd:
de verslechtering van de verstandhouding tussen beide bestuurders vanaf 2016;
de oprichting van ITG en de betrokkenheid daarbij van [broer];
het inlichten door [broer] van werknemers en aannemers over de verslechterde financiële situatie van [vennootschap], medio 2021;
het niet factureren van verrichte werkzaamheden, waarbij het meer dan waarschijnlijk vooral ging om projecten van [appellant].
De slotsom van het rapport van [onderzoeker] luidt als volgt:
“Belangrijkste oorzaken van het faillissement
429. Op basis van de door ons verrichte werkzaamheden zijn wij van oordeel dat het faillissement met name werd veroorzaakt door de tussen beide bestuurders gegroeide slechte verstandhouding en het onvermogen om een oplossing te vinden voor de tussen hen ontstane geschillen. In samenhang hiermee was in voorkomende gevallen het commitment van bestuurders niet meer uitsluitend gericht op de belangen van de vennootschap.
430. Het is binnen deze setting dat door bestuurders besluiten zijn genomen en handelingen verricht of nagelaten, die liquiditeitskrapte hebben veroorzaakt, in standgehouden of vergroot.
431. Aldus is uiteindelijk de liquiditeitspositie zo verslechterd dat niet meer aan de direct opeisbare verplichtingen kon worden voldaan en de onderneming is gefailleerd.”
3.9 [appellant] en [broer] hebben gereageerd op de bevindingen in het rapport. [appellant] heeft per e-mail van 7 augustus 2023 aan de curator medegedeeld dat voor hem het belang van [vennootschap] altijd vooropstond en dat naar zijn mening de uiteindelijke oorzaak van het faillissement de oprichting van ITG en de betrokkenheid van [broer] daarbij is geweest.
3.10 Op 31 augustus 2023 heeft de curator beslag gelegd op de woningen van [appellant] en [broer]. Op 1 september 2023 heeft de curator beiden aansprakelijk gesteld voor het faillissementstekort.
4 Procedure bij de rechtbank
4.1 De curator heeft [appellant] en [broer] en hun houdstervennootschappen gedagvaard en, voor zover in hoger beroep nog van belang, samengevat gevorderd:
a. a) een verklaring voor recht dat zij op grond van art. 2:11 BW en art. 2:248 lid 1 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van [vennootschap];
b) veroordeling tot betaling aan de curator van een bedrag gelijk aan de schulden van [vennootschap], inclusief de algemene en bijzondere faillissementskosten, nader op te maken bij staat; en
c) veroordeling tot betaling van een voorschot van € 500.000,-, met veroordeling van [appellant] en [broer] in de proceskosten en de beslagkosten.
4.2 De rechtbank Rotterdam heeft verstek verleend aan [appellanten] [broer] en diens houdstervennootschap (hierna: [broer c.s.]) hebben verweer gevoerd.
4.3 De curator heeft vervolgens een akte eiswijziging ingediend, waarmee hij de rechtbank heeft bericht dat met [broer c.s.] een vaststellingsovereenkomst is gesloten en dat daarom de vorderingen op hen tot nul worden teruggebracht. In deze akte staat verder dat de curator “er begrip voor (zou) hebben indien ten aanzien van [appellant] en diens houdstervennootschap het bedrag van het gevorderde voorschot (€ 500.000,-) wordt toegewezen tot een bedrag van € 350.000,-.” [broer c.s.] hebben vervolgens een akte tot referte ingediend.
4.4 De rechtbank heeft op 14 augustus 2024 bij vervroeging vonnis gewezen. De rechtbank heeft overwogen dat zij ten gevolge van de vaststellingsovereenkomst geen vordering meer hoeft te beoordelen ten aanzien van [broer c.s.] Ten aanzien van [appellanten] heeft de rechtbank onder verwijzing naar art. 139 Rv overwogen dat de primaire vorderingen van de curator haar niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen en dat die daarom worden toegewezen. Het te betalen voorschot is toegewezen tot een bedrag van € 350.000,-. [appellanten] zijn in de proceskosten (€ 6.893,44) veroordeeld, waarvan de beslagkosten ad € 1.556,87 deel uitmaken.
4.5 Bij vonnis in kort geding van 25 oktober 2024 heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging van het op 14 augustus 2024 gewezen vonnis geschorst, onder de voorwaarde dat [appellant] het hem toekomende bedrag uit de verkoop van zijn woning op de boedelrekening laat storten en dat dit bedrag daar blijft totdat een eindbeslissing is genomen in het hoger beroep. [appellant] heeft een bedrag van € 82.024,28 in depot gegeven.
5 Beoordeling in hoger beroep
Inleiding
5.1 [appellanten] vorderen vernietiging van het vonnis van de rechtbank en veroordeling van de curator in de proceskosten. Zij bestrijden dat zij aansprakelijk zijn op grond van onbehoorlijk bestuur.
De eiswijziging van de curator in hoger beroep
5.2 De curator heeft op de zitting in hoger beroep zijn vorderingen gewijzigd. De subsidiaire en de meer subsidiaire vorderingen zijn komen te vervallen. De primaire, op art. 2:11 en art. 2:248 lid 1 BW gegronde vordering is gewijzigd met dien verstande dat bij het bepalen van het gevorderde bedrag zal worden uitgegaan van de geverifieerde schuldenlast en het boedelactief zoals blijkt uit de verificatievergadering, renvooibeslissingen en openbare faillissementsverslagen en, kort gezegd, dat de curator het in depot gegeven bedrag van € 82.024,28 mag aanwenden voor de gedeeltelijke voldoening van de schuld van [appellanten] Het gevorderde voorschot is naar beneden bijgesteld naar € 300.000,-. De curator vordert voorts dat [appellanten] hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, waaronder begrepen de beslagkosten en de nakosten.
5.3 Het hof laat de eiswijziging gedeeltelijk toe. Deze houdt grotendeels een eisvermindering in. De vordering dat de curator het in depot gegeven bedrag van € 82.024,28 mag aanwenden voor de gedeeltelijke voldoening van de schuld van [appellanten] is echter aan te merken als een eisvermeerdering. Deze eisvermeerdering kan in hoger beroep, behoudens uitzonderingen die zich hier niet voordoen, niet voor het eerst op de zitting bij akte naar voren worden gebracht (HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, r.o. 4.2.4 en HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154, r.o. 2.4.2).
Ontvankelijkheid
5.4 Volgens de curator zijn [appellanten] niet ontvankelijk, omdat zij niet hoger beroep, maar verzet hadden moeten instellen. Het vonnis van de rechtbank behelst immers een verstekvonnis. Art. 140 lid 3 Rv mist volgens de curator toepassing, gelet op HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1274, r.o. 3.4 en HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:791, r.o. 3.3.
5.5 Het hof verwerpt dit standpunt van de curator en overweegt daartoe als volgt.
5.6 Het vonnis van de rechtbank is ten opzichte van [appellanten] een verstekvonnis. Dit blijkt uit het feit dat de rechtbank verstek heeft verleend aan [appellanten] (r.o. 1.1 van het vonnis), en uit de volgende overweging in r.o. 2.3: “De primaire vorderingen van eiser ten aanzien van gedaagden sub 3 en 4 komen de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor. Daarom worden die vorderingen toegewezen (artikel 139 Rv) (…)”.
5.7 Zijn er meerdere gedaagden en is ten minste een van hen in het geding verschenen, dan wordt, indien ten aanzien van de overige gedaagden de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, tegen dezen verstek verleend en tussen de eiser en de verschenen gedaagden doorgeprocedeerd (art. 140 lid 1 Rv). Tussen alle partijen wordt één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (lid 3). Daarmee wordt voorkomen dat tegen hetzelfde vonnis zowel een hogerberoepsprocedure door de verschenen gedaagden, als een verzetprocedure door de niet verschenen gedaagden kan worden gevoerd, met het gevaar van tegenstrijdige beslissingen (HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1274, r.o. 3.3).
5.8 De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest het volgende overwogen:
“3.4 In een geval echter waarin de verschenen gedaagden, voordat eindvonnis wordt gewezen, niet langer aan de procedure deelnemen (bijvoorbeeld doordat ten aanzien van hen de procedure is geschorst wegens hun faillissement of is doorgehaald in verband met het bereiken van een schikking), en de procedure alleen ten aanzien van de niet verschenen gedaagde(n) wordt voortgezet zodat het vonnis uitsluitend wordt gewezen tussen de eiser(s) en de niet verschenen gedaagde(n), is art. 140 lid 3 Rv niet van toepassing. Het risico van tegenstrijdige uitspraken doordat zowel het rechtsmiddel van hoger beroep als dat van verzet wordt aangewend, is dan immers niet meer aanwezig.”
5.9 In dit geval nam [broer], na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst met de curator, nog wel deel aan de procedure bij de rechtbank. Hij was nog bevoegd om proceshandelingen te verrichten (ook na zijn akte van referte) en ook om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis. Hij zou daarmee mogelijk in strijd hebben gehandeld met de vaststellingsovereenkomst, maar dat zou een civielrechtelijke, geen procesrechtelijke kwestie zijn geweest. Zou hij het bijvoorbeeld oneens zijn geweest met betrekking tot wat volgens de rechtbank volgt uit de vaststellingsovereenkomst op het punt van de proceskostenveroordeling (r.o. 2.1), dan had hij daartegen in hoger beroep kunnen opkomen. Het staat niet ter vrije bepaling van partijen of en voor wie een rechtsmiddel openstaat. In zoverre bestond er dus nog steeds een risico op tegenstrijdige uitspraken.
5.10 De voorbeelden genoemd in het hiervoor geciteerde arrest van de Hoge Raad, faillissement (art. 28 Fw) en doorhaling (art. 246 lid 1 en art. 247 lid 1 Rv) als gevolg van een schikking, waarvoor geldt dat de desbetreffende partij in het geheel niet meer deelneemt, doen zich hier niet voor. Bij een faillissement (het eerste voorbeeld) treedt de curator in de plaats van de aanvankelijk wel verschenen onderneming. Na doorhaling (het tweede voorbeeld) is de zaak ‘van de rol’ en (in principe) tot een einde gekomen. In zulke gevallen is er geen risico meer op tegenstrijdige uitspraken; de aanvankelijk wel verschenen partij neemt geen deel meer aan de procedure. Dat was in deze zaak als gezegd niet het geval.
5.11 Dit brengt mee dat art. 140 lid 3 Rv hier van toepassing is. Het vonnis van de rechtbank moet worden beschouwd als een vonnis op tegenspraak. [appellanten] hebben van het juiste rechtsmiddel (hoger beroep) gebruikgemaakt.
Standpunten van partijen
5.12 [appellanten] hebben één grief naar voren gebracht, die erop neerkomt dat alleen [broer] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld. De heimelijke oprichting van ITG door [broer] vormt geen handelen of nalaten van het bestuur in de zin van art. 2:248 lid 1 BW, maar van een bestuurder die daarbij zijn medebestuurder misleidde. [appellant] is niet nalatig geweest in het treffen van maatregelen in de zin van art. 2:248 lid 3 BW. Hem is geen ernstig verwijt te maken. [broer] speelde dubbelspel, sommige werknemers van [vennootschap] deden daaraan mee, en de curator heeft dit onvoldoende in zijn afwegingen betrokken. [broer] werkte [appellant] tegen door zonder overleg in te grijpen op bepaalde projecten en heeft klanten en werknemers van [vennootschap] doorgeleid naar ITG. Daardoor ontstond een liquiditeitsprobleem bij [vennootschap], resulterend in een faillissement.
5.13 Op de zitting heeft [appellant] aandacht gevraagd voor het overzicht van door ITG overgenomen opdrachtgevers (productie 10 bij de memorie van grieven). In dit overzicht staat wat de jaarlijkse omzet van deze opdrachtgevers is vanaf 2016 tot 2021 en wat de hoeveelheid geplaatste orders over die jaren is. Waar in de eerdere jaren sprake is van vele tientallen of zelfs honderden orders, is in 2021 in de meeste gevallen sprake van nul orders. Al deze bedrijven zijn in 2021 overgegaan naar ITG, aldus [appellant].
5.14 De curator heeft zijn standpunt dat sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur gebaseerd op het rapport van [onderzoeker]. Hieruit blijkt volgens de curator, samengevat, dat [vennootschap] niet failliet is gegaan door externe factoren, maar door 1) de slechte verstandhouding tussen [appellant] en [broer], 2) de betrokkenheid van [broer] bij ITG, 3) het inlichten van personeel en aannemers van [vennootschap] over de verslechterde financiële toestand en 4) het niet factureren van verrichte werkzaamheden. [appellant] wordt niet alleen aangesproken op grond van gedragingen van [broer] en de collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur, maar ook op grond van eigen gedragingen als bestuurder. Vaststaat dat sprake was van een zodanig verslechterde verhouding tussen de bestuurders dat deze een negatief effect heeft gehad op de uitvoering en facturatie van met name de volgende projecten van [vennootschap]: 1) Verduurzaming locaties DBG Nederland (Fitex), 2) Verduurzaming woning mevrouw T. en 3) Meelfabriek te Ameide. Verder staat vast dat sprake was van het niet-factureren van werkzaamheden wat mede zorgde voor de slechte liquiditeitspositie van [vennootschap]. Een bestuurder kan wat betreft het factureren van projecten zich niet verschuilen achter het handelen van een medewerker ([werknemer 1]), maar moet er zelf op toezien dat facturering in het belang van de vennootschap plaatsvindt.
5.15 Volgens de curator komt [appellant] geen beroep toe op art. 2:248 lid 3 BW. Hij is zijn broer gaan ontwijken door minder aanwezig te zijn op kantoor, maar hij had maatregelen moeten nemen ter bescherming van de belangen van de vennootschap en haar schuldeisers. Hij had bijvoorbeeld mediation kunnen voorstellen en hij had een gang naar de Ondernemingskamer kunnen maken.
Oordeel van het hof m.b.t. de vordering op grond van art. 2:248 lid 1 BW
5.16 Het hof is van oordeel dat sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur en wijst de vordering van de curator toe. [appellanten] komen geen beroep toe op art. 2:248 lid 3 BW (de disculpatiemogelijkheid voor een individuele bestuurder). Voor zover [appellanten] een beroep hebben willen doen op matiging (lid 4), faalt dat beroep. Het hof zal dit oordeel hieronder toelichten.
Juridisch kader
5.17 Als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en ook aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de vennootschap, dan is iedere bestuurder tegenover de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan (art. 2:248 lid 1 BW). Deze regel strekt tot bescherming van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde vennootschap. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben. Voor aansprakelijkheid is niet vereist dat vast komt te staan dat de onbehoorlijke taakvervulling de oorzaak is geweest van het faillissement; het moet aannemelijk zijn dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest. De stelplicht en de bewijslast rusten op de curator. Lid 3 bepaalt dat niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Hier ligt de bewijslast op de bestuurder, zoals uit de tekst blijkt (‘die bewijst dat’). Lid 4 voorziet in de mogelijkheid dat de rechter het bedrag waarvoor het bestuur of een individuele bestuurder aansprakelijk is, wordt gematigd. De matigingsgronden van lid 4 zijn limitatief; matiging op andere gronden dan die vermeld in lid 4 is dus niet mogelijk.
Kennelijk onbehoorlijk bestuur, het beroep op art. 2:248 lid 3 BW gaat niet op
5.18 Partijen zijn het erover eens dat [broer], terwijl hij nog deel uitmaakte van het bestuur van [vennootschap], actief betrokken is geweest bij de oprichting van ITG, een concurrerende onderneming van voormalig werknemer [werknemer 2]. Partijen zijn het er ook over eens dat dit handelen van [broer] een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.
5.19 Dit levert kennelijk onbehoorlijk bestuur op in de zin van art. 2:248 lid 1 BW. [broer] heeft door niet zijn aandacht en werkkracht in te zetten voor [vennootschap], maar voor een concurrerende onderneming, evident gehandeld in strijd met het belang van [vennootschap]. Hij heeft zijn eigen belangen, die hij kennelijk via ITC wilde dienen, laten prevaleren boven de belangen van [vennootschap]. Dat dit handelen niet plaatsvond in het kader van het besturen van [vennootschap], zoals [appellant] heeft aangevoerd, maakt het voorgaande niet anders. Ook het laten prevaleren van andere belangen dan die van de onderneming kan kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 1 BW opleveren.
5.20 Omdat de broers gezamenlijk het bestuur voerden van [vennootschap] levert dit handelen van [broer] ook kennelijk onbehoorlijk bestuur van het (tweekoppige) bestuur op. Voor de toepassing van art. 2:248 lid 1 BW doet niet ter zake of [appellant] wist van de betrokkenheid van [broer] bij ITG. Het uitgangspunt is immers de collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur. Daarmee biedt art. 2:248 lid 1 BW de schuldeisers van de gefailleerde vennootschap een vergaande bescherming.
5.21 Het hof verwerpt het beroep van [appellant] op art. 2:248 lid 3 BW (disculpatie) met betrekking tot het handelen van [broer]. Productie 7 bij de memorie van grieven behelst een e-mail van 22 januari 2021 van de toenmalige advocaat van [appellant] aan de advocaat van [broer]. Uit deze e-mail blijkt dat [appellant] in die periode al wist van de betrokkenheid van [broer] bij ITG. In de e-mail staat immers: “Cliënt heeft in dat verband moeten constateren dat er (aanvragen tot) werken uit het systeem van [vennootschap] zijn verwijderd en bij de nieuwe onderneming van de heer Van Noordennen zijn ondergebracht. Cliënt heeft inmiddels bevestigd gekregen dat uw cliënt nauw bij die nieuwe onderneming van de heer [werknemer 2] betrokken is.” [appellant] heeft vervolgens, hoewel daarmee wel is gedreigd in voornoemde e-mail, geen rechtsmaatregelen genomen jegens [broer]. De curator heeft daar terecht op gewezen. Het kon redelijkerwijs van [appellant], als behoorlijk bestuurder, worden gevergd dat hij wél rechtsmaatregelen had genomen. De betrokkenheid van [broer] bij ITG vormde immers een directe bedreiging voor het voortbestaan van [vennootschap]. Dit geldt temeer in de omstandigheden die toen speelden: pogingen tot uitkoop waren mislukt en de verhouding tussen de broers was erg slecht.
[appellant] heeft niet gezorgd voor tijdig factureren
5.22 Het hof is daarnaast van oordeel dat de curator, op wie als gezegd de stelplicht en de bewijslast rusten (zie r.o. 5.17 hiervoor), voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant] ook los van het hiervoor beschreven handelen van [broer] een verwijt van onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 lid 1 BW treft en dat (ook) dit handelen van [appellant] zelf een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.
5.23 Uit het rapport van [onderzoeker] blijkt immers dat [appellant] niet (tijdig) factureerde en dat dit (mede) leidde tot een precaire liquiditeitspositie van [vennootschap] en tot spanningen binnen de onderneming. [werknemer 1] moest er herhaaldelijk bij hem op aandringen om werk te maken van de facturering. Dit blijkt onder meer uit haar e-mails van 10 september 2020, 14 januari 2021 en 18 februari 2021 aan [appellant] (respectievelijk nrs. 261, 169 en 170 van het rapport). In haar e-mail van 10 september 2020 schrijft zij bijvoorbeeld: “Nogmaals, als er binnen nu en 12 dagen niet heel veel geld binnen komt, kunnen we de salarissen niet betalen. Ik weet niet wat ik nog meer kan doen om dit vlot te trekken. Ik bespeur al behoorlijke onrust cq onvrede onder het personeel; het te laat of niet betalen van salarissen zou mijns inziens wel eens tot escalatie kunnen leiden…. En dan heb ik het nog niet eens over de leveranciers, die bijna dagelijks bellen hoe het staat met de betalingen. Ik, maar natuurlijk ook de andere meiden, vinden het steeds lastiger om hier op te reageren. Daarnaast zorgt het voor heel veel onrust; herinneringen, aanmaningen en leverantiestoppen zijn immers geen goed teken!”. Uit het rapport van [onderzoeker] volgt dat [werknemer 1] ook op 14 januari 2021 en op 18 februari 2021 e-mails heeft gestuurd aan [appellant] met een vergelijkbare strekking..
5.24 Uit deze e-mails spreekt een oprechte bezorgdheid over de financiële toestand van [vennootschap] en een oprechte frustratie over het, ondanks daartoe gemaakte afspraken, achterwege blijven van (tijdige) facturering door [appellant]. Het lag op de weg van [appellant] als bestuurder om te zorgen dat tijdig werd gefactureerd, en zo nodig, om [werknemer 1] aan te sturen. Dat heeft [appellant] ten onrechte niet gedaan.
5.25 Het hof volgt ook de stelling van de curator met betrekking tot het verduurzamingsproject bij mevrouw T., een vriendin van [appellant]. Het hof is van oordeel dat [appellant] niet heeft gehandeld als een redelijk denkend bestuurder van een middelgroot bedrijf, door zonder financiële verantwoording en kennelijk zonder overleg met zijn medebestuurder een verbouwing van bijna een ton te laten uitvoeren en niets te declareren. Uit het rapport van [onderzoeker] (p. 41-42) blijkt dat er ten behoeve van dit project geen offerte is opgemaakt, dat er geen opdrachtbevestiging is, en dat het project vragen opriep bij de accountant van [vennootschap]. Het hof verwerpt de stelling van [appellant] dat het om een voorbeeldproject ging. Deze stelling is onvoldoende toegelicht. Dat het om een voorbeeldproject ging en dat leveranciers bereid waren om gratis materialen aan te leveren, is nergens uit gebleken. Het doet er echter ook niet toe. Immers, ook als het om een voorbeeldproject ging, had het voor de hand gelegen dat tenminste (een deel van) de kostprijs in rekening zou zijn gebracht. Mevrouw T. ging er door de werkzaamheden aan haar woning op vooruit, althans daarvan kan worden uitgegaan.
[appellant] heeft de ruzie laten escaleren
5.26 Meer in het algemeen blijkt uit het rapport van [onderzoeker] een voortdurende, escalerende ruzie tussen [appellant] en [broer], die een groot negatief effect heeft gehad op de bedrijfsvoering. [appellant] had als redelijk handelend bestuurder moeten ingrijpen, bijvoorbeeld door het aanzoeken van een bemiddelaar of door het treffen van rechtsmaatregelen om de belangen van [vennootschap] veilig te stellen. De gekozen oplossing om de aanwezigheid op kantoor te beperken en [broer] te vermijden, was niet of onvoldoende geschikt. Aannemelijk is dat (ook) deze ruzie een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.
5.27 Het voorgaande betekent dat het beroep van [appellanten] op productie 10 bij de memorie van grieven niet het door hen gewenste effect sorteert. Uit productie 10 kan worden afgeleid dat in 2021 een aantal klanten van [vennootschap] geen orders meer plaatsten. Maar ook als aangenomen moet worden dat [broer] de betreffende klanten in 2021 naar ITG heeft doorgeleid, blijft het handelen van [appellant] zelf een belangrijke (mede-)oorzaak van het faillissement.
Geen matiging
5.28 Voorzover [appellanten] hebben bedoeld een beroep te doen op matiging op grond van art. 2:248 lid 4 BW faalt dit beroep. Geen van de in dat artikel genoemde gronden voor matiging doen zich voor: het faillissement van [vennootschap] heeft interne oorzaken, waaraan [appellant] medeschuld heeft. Van een externe oorzaak is niet gebleken. Ook de tweede zin van lid 4 mist toepassing. In die zin is geregeld dat de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder verminderd kan worden gelet op de tijd gedurende welke die bestuurder in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijk taakvervulling plaatsvond. [appellant] was bestuurder van [vennootschap] gedurende de hele periode waarin het onbehoorlijk bestuur heeft plaatsgevonden.
5.29 Dat [appellant] na het faillissement de curator van informatie heeft voorzien, levert geen grond op voor matiging. Hij was daartoe verplicht op grond van art. 105 Fw.
Bewijsaanbod
5.30 Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellanten], omdat geen bewijs is aangeboden van stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Hierbij doet niet ter zake of het hem verweten kan worden dat hij niet heeft deelgenomen aan de procedure bij de rechtbank.
Conclusie
5.31 De conclusie is dat het hoger beroep van [appellanten] niet slaagt.
5.32 Het hof gaat er, mede gelet op hetgeen de curator naar voren heeft gebracht tijdens de zitting in hoger beroep, van uit dat de afwikkeling van het faillissement zich in een zodanig vergevorderd stadium bevindt, dat de volledige schade op dit moment begroot kan worden (zie art. 612 Rv). Het hof zal de curator daarom in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de omvang van het boedeltekort.
5.33 [appellanten] zullen dan op die akte mogen reageren.
6 Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 10 november 2026 voor het nemen van een akte aan de zijde van de curator met het doel dat staat vermeld in rechtsoverweging 5.32 van dit arrest;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. Engel, D.A. Schreuder en H.J. van Harten en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:691
- Conclusie A-G Assink 21 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:47
- HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:791
- HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2370
- HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1274
- HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771
- HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959
- HR 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053