Hof Den Haag 16 september 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2858

BPM. Belanghebbende gaat terecht uit van hogere CO2-uitstoot en dus hogere historische nieuwprijs. Taxatierapport van belanghebbende kan niet dienen. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, legaliteitsbeginsel en artikel 110 VWEU nopen niet tot toepassing van ingetrokken intern beleid over beoordeling juistheid koerslijsten. ‘Nieuwe’ taxatiewaarde XRAY niet bruikbaar. Percentage schadeaftrek is terecht 72%. Hof passeert bewijsaanbod door middel van getuigen en verzoek om toepassing artikel 8:45 Awb. Hof matigt proceskostenvergoeding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/750
Uitspraak van 16 september 2026
in het geding tussen:
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 september 2025, nummer SGR 23/5617.

Procesverloop

1.1 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.591 (de naheffingsaanslag).

1.2 Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is griffierecht betaald. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade toe;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van
€ 727;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van
€ 273;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 113.50;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 113,50.
- draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.”

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is griffierecht betaald. De Inspecteur heeft bij nader stuk, met bijlage, van 29 januari 2026 verweer ingediend. Belanghebbende heeft op 16 juni 2026 een pleitnota met twee bijlagen ingediend. De Inspecteur heeft hierop gereageerd bij nader stuk, met bijlage, van 18 juni 2026.

1.5 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1 Belanghebbende heeft op 10 mei 2022 op aangifte een bedrag van € 19.880 aan bpm voldaan ter zake van de inschrijving in het kentekenregister van een Audi A6 Avant RS 6TFSI Quattro (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 26 juni 2020. De CO2-uitstoot van de auto bedraagt 268 g/km.

2.2 In de aangifte is de te betalen bpm voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 3 mei 2022 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 4 mei 2022 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 217.217 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 104.000 (gemiddelde referentievoertuigen -/- 35% marge). De taxateur heeft een bedrag van € 26.000 (90,61% van de gecalculeerde reparatiekosten van € 28.693) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde met schade op € 78.000 vastgesteld.

2.3 De auto is op 17 mei 2022 door de RDW gekeurd.

2.4 Belanghebbende heeft op 20 mei 2022 de auto voor controle getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Van de controle is een rapport van 23 mei 2022 opgemaakt. In dit rapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 242.649, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 112.229 (koerslijst XRAY) en is een bedrag van € 6.917 aan schade aannemelijk geacht. Van dat schadebedrag is € 4.980 (72%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 107.249.

2.5 De Inspecteur heeft met dagtekening 21 oktober 2022 een bedrag van € 4.591 (€ 24.471 verschuldigde bpm -/- € 19.880 voldane bpm) nageheven. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van het rapport van DRZ.

2.6 Belanghebbende heeft in hoger beroep een koerslijst XRAY overgelegd. De koerslijst vermeldt een CO2-uitstoot van 263 g/km. De Inspecteur heeft XRAY om een toelichting gevraagd bij deze koerslijst. De reactie van XRAY luidt onder meer:
“De koerslijstwaardering waardering van het betreffende voertuig is vastgesteld aan de hand van een combinatie van verschillende factoren, componenten en rekenmodellen, waaronder handelstransacties van vergelijkbare types van betreffende en aansluitende bouwjaren, expertise van handelaren en groothandelaren, eigen expertise, margebeleid van importeurs, data van leasemaatschappijen, courantheid type en eventueel voorgaande type, en nationale en internationale marktwerking. Bij voldoende marktinfo geven we een waarde af, bij
onvoldoende marktinfo is geen waarde beschikbaar. Bijgaand delen we veiling/transactie data uit de betreffende periode, deze data ondersteund met een redelijke handelsmarge de koerslijstwaarde. Hiermee kan ik bevestigen dat de waarderingen marktconform waren.
In afwachting van een reactie op het voorstel van Autotelex en XRAY aan de Belastingdienst (dd 5 september j.l.) waarbij een harde gap boven de 175.000 is voorgesteld is het voertuig vooralsnog gewoon beschikbaar binnen de koerslijst.
(…)
Voor dit betreffende voertuig kan ik nog aanvullen dat in dit relatief dure segment een forse handelsmarge zeer gebruikelijk is. Er zal garantie verleend moeten worden en de te verwachten sta-tijd zal vele malen langer zijn dan bij een voertuig in een meer populair consumenten segment. Het verschil tussen vraagprijs en handelsinkoopwaarde is dan ook zeker niet vreemd. Uitgangspunt is dan wel dat de koerslijstwaarde als basis dient voor de aangifte en niet een aanvullend taxatierapport.
Wat betreft de vraag over de afwijking in de CO2 uitstoot kan ik het volgende mededelen. Binnen de met de Belastingdienst afgesproken begrenzing van 15 gram afwijking in de CO2 heeft dit geen gevolgen voor de handelsinkoopwaardering. Als gevolg van een Hoge Raad uitspraak heeft een CO2 afwijking wel gevolgen voor de consumentenprijs, deze hebben we verwerkt in de koerslijst.”

2.7 Belanghebbende heeft in hoger beroep een e-mail overgelegd van 15 april 2024, die is verstuurd binnen de Belastingdienst. Belanghebbende heeft de e-mail ontvangen in het kader van een andere procedure. Het onderwerp van de e-mail is ‘Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten’. De tekst van de e-mail luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Na het koerslijstoverleg van woensdag 10 april jl. willen wij jullie met deze e-mail graag informeren over een aantal besproken aspecten.
In de eerste plaats betreft dit de gesprekken met de koerslijstproviders. Tijdens het platform koerslijsten zijn pleitnota’s overgelegd waarin onder andere het standpunt is ingenomen dat de koerslijst niet toegepast kan worden omdat deze niet op daadwerkelijke handelstransacties is gebaseerd. Graag willen wij erop wijzen dat dit standpunt ingaat tegen het beleid van de Belastingdienst en derhalve niet ingenomen mag worden.
Zoals in bijgevoegd memo uit 2019 is aangegeven, is het immers niet de bedoeling om in individuele gevallen de koerslijstwaarde ter zijde te schuiven met een beroep op de stelling dat de koerslijst niet is gebaseerd op handelstranscties. Zie ook de notulen van het LVO van april 2019, die je kunt vinden op (…)
Excessen qua waarde kun je echter wel blijven doorgeven aan het loket koerslijsten via (…)@belastingdienst.nl.
Inmiddels hebben (…) ook individuele gesprekken gevoerd met de 4 koerslijstproviders. Deze gesprekken krijgen binnenkort een vervolg waarbij dan wederom een aantal concrete voertuigen zullen worden besproken, met voor ons niet verklaarbare grote verschillen tussen de inkoopwaarde en de koerslijstwaarde en tussen de koerslijstwaarden onderling. Doel is om hier gezamenlijk met de providers grip op te krijgen. Dit wijzigt echter (vooralsnog) niet ons beleid ten aanzien van de erkenning van de koerslijst van X-Ray, Autotelex, Eurotax en ANWB. In een volgend LVO komen de uitkomsten van de gesprekken aan de orde, ook in relatie tot het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1666) over het gebruik van de koerslijst voor niet-courante voertuigen.
Vanzelfsprekend is het wel van belang om goed te blijven beoordelen of de koerslijst daadwerkelijk overeenkomt met het voertuig uit de aangifte en of er sprake is van verdergaande afwijkingen dan in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot (dergelijke kleine verschillen verhinderen toepassing van de koerslijst immers niet). In eerdere gesprekken gaven koerslijstproviders ook aan dat verschillen vaak zijn terug te voeren op onjuist gebruik van de koerslijsten door gebruikers daarvan.”

Oordeel van de Rechtbank

3 De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“Schade

9 De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres.[2] Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Gelet op de door verweerder aangedragen formele- en materiële gebreken van het taxatierapport kan het taxatierapport van eiseres niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat in het taxatierapport zonder nadere toelichting 90,61% van de gecalculeerde reparatiekosten in mindering is gebracht. Ook is niet duidelijk hoe er in het taxatierapport is omgegaan met (normale) gebruikersschade. Verder wordt in het taxatierapport de algemene toestand van de auto als matig aangemerkt, terwijl in het taxatierapport de toestand van de onderdelen van de auto afzonderlijk (technisch, onderstel, carrosserie, interieur en banden) als redelijk is aangemerkt. Dit is in tegenspraak met de door de taxateur vastgestelde schade van € 28.692. Daar komt bij dat veel van de schadeposten in het taxatierapport niet door DRZ zijn waargenomen; de auto verkeerde op het moment van schouw door DRZ kennelijk niet meer in dezelfde staat als ten tijde van de opname door de taxateur van eiseres. Daarnaast heeft eiseres geen inkoopfactuur dan wel reparatiefacturen van de auto ingebracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de reële waardedaling van de auto en dus ook de vermindering van de Bpm niet kunnen worden vastgesteld op basis van het taxatierapport.

10 Nu eiseres zich niet op het taxatierapport kan beroepen, heeft eiseres daarmee ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat één of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. In de verwijzing naar dat beleid ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder of DRZ te weinig schade in aanmerking heeft genomen.

Koerslijst

11 Eiseres stelt zich subsidiair op het standpunt dat van de door haar op 2 september 2025 ingebrachte koerslijst van X-ray dient te worden uitgegaan. In die koerslijst is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 112.763 opgenomen.

12 De rechtbank stelt voorop dat voor de hoogte van de afschrijving de bewijslast op eiseres rust. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval van de door haar ingebrachte koerslijst van X-ray moet worden uitgegaan. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres deze koerslijst pas een week voor zitting heeft overgelegd en dat in deze koerslijst niet de juiste opties zijn ingevuld, zoals gesteld door verweerder en onvoldoende weersproken door eiseres. Eiseres kan daarom geen beroep doen op de door haar ingebrachte koerslijst.

13 Gelet op het vorenstaande slaagt het beroep van eiseres op de door haar ingebrachte koerslijst van X-ray niet. Dit betekent dat verweerder terecht de afschrijving van de auto heeft bepaald aan de hand van de door DRZ gehanteerde koerslijst. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond.

Immateriële schade

14 Eiseres heeft in haar beroepschrift van 29 augustus 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 2 november 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 23 september 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, elf maanden. Nu eiseres een financieel belang heeft van meer dan € 1.000, heeft eiseres recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000.[3] Aangezien verweerder op 25 juli 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is de termijnoverschrijding voor 3/11e deel, ofwel € 273, toe te rekenen aan verweerder en voor 8/11e deel, ofwel € 727, aan de Staat.

Proceskostenvergoeding

15 De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op (afgerond) € 227 (1 procespunt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,25).[4] Nu de overschrijding van de redelijke beslistermijn aan zowel verweerder als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door verweerder en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan.[5]

(…)

[2] Vgl. Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.

[3] Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.

[4] Vgl. Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.

[5] Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.“

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1 In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd, meer specifiek of de historische nieuwprijs op het juiste bedrag is vastgesteld, of belanghebbende een beroep toekomt op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat in de koerslijst XRAY, of de Inspecteur de juistheid van de koerslijst XRAY voldoende gemotiveerd heeft betwist, welk bedrag aan schade in aanmerking moet worden genomen en tegen welk percentage de gecalculeerde schade in aftrek moet worden gebracht.

4.2 Belanghebbende concludeert tot:
- partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank;
- vernietiging van de uitspraak op bezwaar;
- primair: vernietiging van de naheffingsaanslag;
- subsidiair: het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat op € 112.763 (verbeterde XRAY, het vaststellen van de historische nieuwprijs op € 247.297, een waardevermindering vanwege schade van € 4.980 (DRZ), het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 107.783, het vaststellen van de totaal verschuldigde bpm op € 24.136 en vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.256;
- meer subsidiair: het vaststellen van de handelsinkoopwaarde op € 107.249 (DRZ), het vaststellen van de historische nieuwprijs op € 244.769 (nieuwprijs op basis van netto catalogusprijs DRZ), het vaststellen van de totaal verschuldigde bpm op € 24.264 en vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.384; en
- veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.

4.3 De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Historische nieuwprijs

5.1.1 Belanghebbende stelt voor het eerst in hoger beroep dat de historische nieuwprijs van de auto € 247.297 dan wel € 244.768 bedraagt. De Inspecteur (DRZ) heeft volgens belanghebbende bij het bepalen van de historische nieuwprijs gerekend met een CO2-uitstoot van 263 g/km in plaats van 268 g/km.

5.1.2 Gelet op het RDW-voertuigbeeld gaat belanghebbende terecht uit van een CO2-uitstoot van 268 g/km. De historische nieuwprijs bedraagt derhalve € 244.768. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof een hogere historische nieuwprijs niet onderbouwd.

5.1.3 De Inspecteur stelt in dit kader nog dat de gemachtigde van belanghebbende dit punt pas in hoger beroep opbrengt, terwijl het de gemachtigde in beroep al was opgevallen. De Inspecteur verzoekt hiermee rekening te houden in het kader van een eventuele proceskostenvergoeding.

Taxatierapport van de kant van belanghebbende

5.2.1 Belanghebbende stelt dat voor de waardevermindering van de auto moet worden uitgegaan van het taxatierapport van de kant van belanghebbende . De Inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.

5.2.2 De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof in rechtsoverweging 9 van haar uitspraak op goede gronden en terecht geoordeeld dat het taxatierapport van de kant van belanghebbende niet kan dienen ter bepaling van de reële waardevermindering van de auto ten tijde van het belastbare feit. Het Hof maakt deze gronden tot de zijne.

Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat / koerslijst XRAY / beleid

5.3.1 Belanghebbende heeft een “nieuwe koerslijst XRAY” in het geding gebracht. De Inspecteur stelt dat die koerslijst niet kan dienen, omdat die koerslijst niet is gebaseerd op daadwerkelijke handelstransacties. De Inspecteur heeft XRAY om een reactie gevraagd, omdat hij zich afvroeg hoe het mogelijk is dat XRAY een koerslijst(waarde) afgeeft, terwijl de koerslijstprovider AutotelexPro had vastgesteld dat er geen daadwerkelijke handelstransacties hebben plaatsgevonden.

5.3.2 Belanghebbende stelt dat op dit punt (begunstigend) beleid bestaat aan de kant van Inspecteur. Zij doet een beroep op dat beleid en stelt dat het de Inspecteur ingevolge dit beleid in het onderhavige geval niet is toegestaan het standpunt te verdedigen dat de koerslijst XRAY niet is gebaseerd op daadwerkelijke handelstransacties. De Inspecteur stelt onder verwijzing naar de website van de Belastingdienst dat slechts sprake was van intern beleid, dat dat beleid niet is gepubliceerd en dat het beleid sowieso niet meer geldt, omdat op 19 maart 2026 het vertrouwen in de koerslijstproviders is opgezegd en hij in het kader van het aannemelijk maken van een waardevermindering aan de hand van een koerslijst een nieuwe werkwijze hanteert.

5.3.3 In de hiervoor onder 2.7 aangehaalde e-mail van 15 april 2024 wordt uitdrukkelijk vermeld dat het standpunt dat de koerslijst niet toegepast kan worden omdat deze niet op daadwerkelijke handelstransacties is gebaseerd, ingaat tegen het beleid van de Belastingdienst en derhalve niet ingenomen mag worden. Aangezien de Inspecteur in deze procedure precies dat standpunt heeft ingenomen, zal het Hof eerst beoordelen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de weg staan aan de behandeling daarvan, dan wel het legaliteitsbeginsel of artikel 110 VWEU.

5.3.4 Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbende geen rechtens te beschermen vertrouwen ontlenen aan het in de e-mail geformuleerde beleid, reeds omdat dat beleid niet behoorlijk is bekendgemaakt, dat wil zeggen door of met goedvinden dan wel medeweten van de overheid op zodanige wijze dat verzekerd is dat de regels voor de betrokkenen kenbaar en toegankelijk zijn (zie HR 28 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4258, r.o. 4.6-4.7). Ook belanghebbendes beroep op het rechtszekerheidsbeginsel stuit hierop af. Voorts heeft te gelden dat niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op begunstigend beleid in verbinding met het gelijkheidsbeginsel nadat dat beleid is ingetrokken (zie HR 24 januari 2001 ECLI:NL:HR:2001:AA9622, r.o. 3.1; vgl. HR 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4569, r.o. 3.2.2). Uit de door de Inspecteur vermelde website, waarop werd aangekondigd dat de juistheid van de op koerslijsten voorkomende waarden zal worden beoordeeld, kan niet worden afgeleid met ingang van welke datum het beleid is ingetrokken, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de intrekking onmiddellijke werking heeft gehad per 19 maart 2026, de datum van publicatie van het bericht. Dat betekent dat de Inspecteur bij de indiening van zijn nader stuk op 18 juni 2026 en de toelichting daarop ter zitting niet aan dat beleid gehouden kan worden met een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Hetzelfde geldt voor het door belanghebbende ingeroepen verbod op willekeur.

5.3.5 Het legaliteitsbeginsel is hier naar het oordeel van het Hof evenmin in het geding, nu niet valt in te zien hoe de intrekking van het hiervoor onder 2.7 opgenomen beleid de wettelijke grondslag aan de naheffingsaanslag kan ontnemen. Een inbreuk op artikel 110 VWEU kan ook niet worden geconstateerd, aangezien belanghebbende niet heeft gewezen op soortgelijke voertuigen als de auto die in Nederland rijden en waarbij de toepassing van het onder 2.7 aangehaalde beleid heeft geleid tot vaststelling van de vermindering aan de hand van een koerslijst die niet op daadwerkelijke handelstransacties was gebaseerd.

5.3.6 Het Hof komt daarmee toe aan behandeling van de stelling van de Inspecteur en volgt hem daarin. De door XRAY voor de auto opgegeven handelswaarde in de “nieuwe koerslijst” kan naar het oordeel van het Hof niet zijn gebaseerd op door ter zake doende door wederverkopers in Nederland betaalde prijzen bij inkoop van particulieren. Het Hof komt tot deze conclusie op grond van onder meer het volgende:
de reactie van XRAY vermeldt slechts de gegevens van twee auto’s met een datum eerste toelating in 2020;
XRAY verwijst (ook) naar veilingwaarden;
XRAY spreekt over vraagprijzen;
- XRAY verwijst naar de expertise van handelaren en groothandelaren en eigen expertise en margebeleid van importeurs. Het gaat dus niet om echte verkooptransacties tussen particulieren en handelaren.
De XRAY-taxatiewaarde is derhalve niet bruikbaar om de in artikel 10, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 bedoelde afschrijving voor de auto vast te stellen.

5.3.7 Belanghebbende heeft voor het geval het Hof oordeelt dat de historische nieuwprijs € 244.769 bedraagt, verklaard dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 112.229 bedraagt, conform de berekening van DRZ en de Inspecteur.

Percentage schadeaftrek

5.5.1 Belanghebbende stelt dat circa 90%, althans een hoger waardeverminderingspercentage dan 72, van het door DRZ in aanmerking genomen brutobedrag aan schade in aanmerking moet worden genomen bij het vaststellen van de waardevermindering van de auto. De Inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.

5.5.2 Het in onderdeel 3.5 van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vermelde percentage van 72% vormt, mede gelet op de mogelijkheid van tegenbewijs, op grond van de totstandkomingsgeschiedenis een bruikbaar uitgangspunt voor de bepaling van de waardevermindering. Nu belanghebbende zich erop beroept dat een hogere waardevermindering dan 72% van de herstelkosten in aanmerking moet worden genomen om te voorkomen dat te veel bpm wordt geheven, draagt belanghebbende de bewijslast van haar stelling. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan belanghebbendes aanspraak op de door haar bepleite aanvullende vermindering van de bpm niet worden vastgesteld aan de hand van de gedingstukken zoals de overgelegde calculatie van de herstelkosten met bijgevoegde kleine en soms onduidelijke foto’s, waarbij van belang is dat een raming van de herstelkosten voor een handelaar niet zonder meer de waardevermindering als gevolg van de schade hoeft te vertegenwoordigen (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63).

Naheffingsaanslag

5.6 Tussen partijen is niet in geschil dat de bruto bpm € 55.378 bedraagt. De handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat (taxatiewaarde) bedraagt (€ 112.229
-/- € 4.980 =) € 107.249. De totaal verschuldigde bpm bedraagt daarmee € 107.249/€ 244.769 x € 55.378 = (afgerond) € 24.264. Belanghebbende heeft € 19.886 op aangifte voldaan. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 4.378.

Getuigenbewijs

5.7.1 Belanghebbende heeft het Hof ter zitting verzocht de beleidsmakers die betrokken zijn bij het platform koerslijsten te horen over het al dan niet in aanmerking nemen van koerslijsten door bpm-inspecteurs. Reeds omdat het beleid naar het oordeel van het Hof niet van belang is voor de uitkomst van deze procedure (zie hiervoor onder 5.3.4 en 5.3.5), passeert het Hof het bewijsaanbod van belanghebbende door middel van getuigen.

5.7.2 Omdat in de onderhavige procedure de “nieuwe koerslijst XRAY” naar het oordeel van het Hof niet kan dienen, passeert het Hof ook het verzoek van de Inspecteur om “de eindverantwoordelijken van deze koerslijstprovider als getuige c.q. deskundige op te roepen zodat zij ter zitting (dan wel vooronderzoek) (al dan niet) duidelijkheid kunnen verschaffen.”

Artikel 8:45 Awb

5.8 Ter zitting heeft de Inspecteur het Hof verzocht met toepassing van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) belanghebbende op te dragen de inkoopkoopfactuur van de auto te overleggen. Het Hof gaat aan dit verzoek voorbij, omdat het Hof dit in deze zaak niet noodzakelijk acht om tot een oordeel te komen.

Slotsom

5.9 Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1 Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Het Hof stelt daarbij voorop dat een (proces)kostenvergoeding niet is bedoeld als volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten. De kosten zouden op de voet van artikel 7:15 en 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage € 5.068 bedragen, berekend als volgt: € 1.332 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar: 2 punten (1 punt bezwaarschrift, 1 punt hoorgesprek) à € 666 x 1 (gewicht van de zaak), € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep: 2 punten (1 punt beroepschrift, 1 punt zitting Rechtbank) à € 934 x 1 (gewicht van de zaak) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep: 2 punten (1 punt hogerberoepschrift, 1 punt zitting Hof) à € 934 x 1 (gewicht van de zaak).

6.2 Het bedrag van de (proces)kosten wordt bepaald op basis van het tarief bedoeld in artikel 2, lid 1, letter a, Bpb en de bijlage bij het Bpb, waarvan de wegingsfactor deel uitmaakt. Onder bijzondere omstandigheden kan van deze bepaling worden afgeweken op grond van artikel 2, lid 2 en/of lid 3, Bpb, hetgeen kan resulteren in een vermindering van het totaalbedrag van de proceskosten.

6.3 Het Hof ziet aanleiding om artikel 2, lid 2 en lid 3, Bpb toe te passen, omdat belanghebbende slechts gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, de evidente fout ter zake van de historische nieuwprijs met een eenvoudige melding had kunnen worden hersteld, sprake is van een relatief geringe vermindering van de naheffingsaanslag en vasthouden aan het forfaitaire puntensysteem van het Bpb zou leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Het Hof matigt de hiervoor onder 6.1 berekende (proces)kostenvergoeding tot € 2.000. Omdat de Rechtbank de Staat heeft veroordeeld tot vergoeding van € 113,50 aan proceskosten aan belanghebbende, zal het Hof de Inspecteur veroordelen tot vergoeding van € 1.886,50 aan proceskosten aan belanghebbende (vgl. HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:946, r.o. 6.1).

6.4 Voorts dienen aan belanghebbende het in beroep gestorte griffierecht van € 365 en het in hoger gestorte griffierecht van € 579 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade en de vergoeding van proceskosten door de Staat,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.378,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.886,50, en

- gelast dat de Inspecteur de door belanghebbende in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 944 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, M.J.M. van der Weijden en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.

De griffier, de voorzitter,

L. van den Bogerd C. Maas

De beslissing is op 16 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken