Hof Den Haag 22 april 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1616
De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en 6 maanden wegens poging tot doodslag (en mishandeling) van zijn vriendin. Extreem geweld, waaronder het met een metalen pijp op haar hoofd slaan en het schoppen tegen haar hoofd. Zij heeft hierdoor blijvend ernstig hersenletsel opgelopen en zal de rest van haar leven hulpbehoevend blijven. Daarnaast is ook TBS met dwangverpleging opgelegd, ondanks dat de gedragsdeskundigen geen advies over de mate van toerekenbaarheid hebben kunnen geven. Wel sprake van een chronische persoonlijkheidsstoornis, die ook aanwezig was tijdens het plegen van de feiten. Vordering benadeelde partij (vriendin) integraal toegewezen (€ 1.237.875,56). Immateriële schade bepaald op € 350.000,--. Materiele schade vastgesteld op € 887.875,56. Deze schade bestaat grotendeel uit hetgeen als “verlies verdienvermogen” wordt gevorderd, waaronder ook “verlies verdienvermogen (eigen bijdrage WLZ)”. Wet langdurige zorg (WLZ). Hof overweegt dat de aanspraken die de benadeelde partij heeft op basis van de WLZ niet mindering worden gebracht op de geleden schade. Artikel 10.2.1 WLZ is namelijk geen imperatieve bepaling. Daarnaast vorderingen van de benadeelde partijen moeder en vader integraal toegewezen (beiden in totaal € 15.656,--).
De uitspraak op rechtspraak.nl