Hof Den Haag 17 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2293

Belanghebbende heeft de Indiase nationaliteit. Zij verhuist in augustus 2019 naar Nederland in verband met een Master-studie Biology aan een Nederlandse universiteit. Belanghebbende heeft de master Biology succesvol afgerond en heeft daarna een dienstbetrekking in Nederland verkregen waarvoor het afronden van deze studie van belang was. Het collegegeld heeft belanghebbende betaald kort voordat zij inwoner van Nederland werd. Het geschil betreft de vraag of dit collegegeld in aftrek kan worden gebracht als zijnde scholingsuitgaven, in het licht van het feit dat deze betaald zijn voordat belanghebbende belastingplichtige was in Nederland. Het Hof is allereerst van oordeel dat de scholingsuitgaven gerelateerd zijn aan de in Nederland verkregen bron van inkomsten. Toekenning van de aftrek van de scholingsuitgaven zou daarmee in lijn zijn met de systematiek van de heffing van inkomstenbelasting. Verder is het Hof van oordeel dat de verplichting van belanghebbende het collegegeld te betalen niet voor 1 september 2019 is ontstaan. Het Hof acht verder aannemelijk dat belanghebbende niet voor betaling van het collegegeld voor het moment van verschuldigdheid (1 september 2019) zou hebben gekozen, indien zij op de hoogte was geweest van de mogelijkheid om zich in te schrijven als student zonder het collegegeld voordien reeds te betalen, omdat het daarvoor voldoende was om aan te tonen dat het collegegeld zou worden betaald. Hieruit vloeit voort dat belanghebbende bij de feitelijke betaling van het collegegeld heeft gedwaald met betrekking tot het tijdstip van opeisbaarheid daarvan. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat op het moment van betaling naar de bedoeling van partijen sprake was van voldoening aan een verplichting die voortvloeit of zal voortvloeien uit een toen al bestaande rechtsverhouding tussen belanghebbende en de universiteit ter zake van de betaling van het collegegeld (vergelijk Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060). Het Hof komt daarom tot de conclusie dat de betaling van belanghebbende toegerekend moet worden aan het tijdstip waarop de verschuldigdheid van het collegegeld op zijn vroegst kan zijn ontstaan, 1 september 2019. Voordien was er slechts sprake van een depotstorting. In dat geval is niet in geschil dat de scholingsuitgaven voor aftrek in aanmerking komen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken