Hof Den Haag 24 mei 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1459
Bij de beoordeling van de vraag of de door de verdachte verkochte pinda’s kunnen worden aangemerkt als “voor de gezondheid schadelijke waren” in de zin van de artikelen 174 en 175 Sr, dient te worden vastgesteld of er sprake is geweest van potentieel nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid. Daarbij is niet vereist dat de gezondheid van iemand daadwerkelijk door deze partijen pinda’s is aangetast. Daarbij gaat het ook om gevolgen die op de (zeer) lange termijn kunnen intreden. In artikel 5, in samenhang met de in dat artikel genoemde bijlage van Verordening (EG) 1881/2006 worden de maximale waarden aflatoxine(n)in pinda’s genoemd voor rechtstreekse menselijke consumptie. Deze waarden zijn gehandhaafd in de thans geldende, ‘Verordening (EU) 2023/915. Het hof stelt vast dat de gemeten waardes ver boven de door de EU geaccepteerde waarden zijn. Naar het oordeel van het hof zijn de pinda’s dan ook “voor de gezondheid schadelijke waren” in de zin van de artikelen 174 en 175 Sr. Door de verdediging wordt het verweer gevoerd dat verdachte niet wist (ook niet in voorwaardelijke zin) dat de pinda’s een te hoog aflatoxinegehalte bevatten nu zij mocht vertrouwen op de in het land van herkomst afgegeven aflatoxine-certificaten. Nu de verdachte per e-mail op de hoogte is gesteld van het in haar opdracht in Nederland verrichte onderzoek naar de partijen pinda’s dat er aflatoxine is geconstateerd met waarden die vele malen hoger waren dan de toegestane grenswaarden zou dit alle alarmbellen bij de verdachte hebben moeten laten rinkelen, temeer omdat ook de verdachte heeft erkend dat het gehalte aflatoxine met tijdsverloop kan vermeerderen, bijvoorbeeld als gevolg van transport en opslag. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte met deze gang van zaken bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij pinda’s heeft verkocht met een te hoog aflatoxinegehalte
De uitspraak op rechtspraak.nl