Hof Den Haag 6 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:4

Vanaf 1999 heeft belanghebbende in rekening-courant gelden aan zijn eigen BV verstrekt. De BV houdt zich bezig met uitvindersactiviteiten, die geen inkomsten hebben opgeleverd. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2009 een deel van de rekening-courantvordering afgewaardeerd ten laste van het tbs-resultaat, hetgeen de Inspecteur bij de aanslagregeling heeft gevolgd. De afwaardering van het restant van de rekening-courantvordering in de aangifte IB/PVV 2015 heeft de Inspecteur niet toegestaan. In geschil is of dat laatste terecht is. Het Hof oordeelt dat sprake is van een onzakelijke lening. Een onafhankelijke derde zou niet ermee instemmen dat alle kwade kansen voor hem zijn en de goede kansen, afgezien van de rente, geheel voor de debiteur. Onder de gegeven omstandigheden – met name het risicovolle karakter van de ondernemingsactiviteiten in combinatie met het ontbreken van zekerheden – zou een zakelijk handelende derde een winstdelende rente bedingen. Het afwaarderingsverlies is dus niet aftrekbaar. Het Hof wijst voorts het beroep op het vertrouwensbeginsel af. Het enkel vermelden van de afwaardering in de toelichting op de aangifte 2009 is niet een uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde stellen hiervan. De omvang van de afwaardering en het uitblijven van vragen daarover van de Inspecteur kan bij belanghebbende niet de indruk hebben gewekt dat het volgen van de aangifte 2009 berustte op een bewuste standpuntbepaling. Dat die aangifte is "uitgeworpen" betekent bovendien niet dat de Inspecteur de afwaardering daadwerkelijk inhoudelijk heeft beoordeeld, nog daargelaten dat belanghebbendes daarvan geen weet zou hebben gehad.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken