Hof Den Haag 3 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:353
De kantonrechter heeft het verzoek van de bewindvoerder (namens rechthebbende) om een extra beloning aan rechthebbende in rekening te mogen brengen afgewezen. Omdat rechthebbende zelf daartoe niet in staat is, verzoekt de bewindvoerder op de voet van artikel 1:443 BW de kantonrechter om hem te machtigen om in hoger beroep tegen voormelde afwijzing namens rechthebbende te mogen optreden. De kantonrechter heeft het verzoek om bedoelde machtiging te verlenen afgewezen op grond van een afweging van het belang van de rechthebbende en het belang van de bewindvoerder. Het hof overweegt dat artikel 1:143 BW is bedoeld als een vorm van zekerheid voor de bewindvoerder dat hij niet achteraf door de rechthebbende wordt beschuldigd van een lichtvaardig besluit tot procederen. Het artikel maakt de bevoegdheid van de bewindvoerder om namens rechthebbende te procederen niet afhankelijk van het verkrijgen van die machtiging (of toestemming van de rechthebbende) (zie MvA, Kamerstukken II 1979/80, 15350, nr. 5, p. 23). De kantonrechter is volgens het hof met de belangenafweging van het belang van de bewindvoerder en het belang van de rechthebbende voorbij gegaan aan het uitgangspunt dat er in beginsel geen sprake is van een tegenstrijdig belang, nu de bewindvoerder wordt geacht het belang van de rechthebbende te behartigen. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter, door niet te beoordelen of er sprake is van een lichtvaardig besluit tot procederen, maar door te beoordelen of een hoger beroep al dan niet het belang van rechthebbende dient, een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Niettemin verklaart het hof de bewindvoerder niet ontvankelijk in het hoger beroep, omdat al hoger beroep was ingesteld tegen de afwijzing door de kantonrechter van het verzoek om een extra beloning aan rechthebbende in rekening te mogen brengen, en daar inmiddels inhoudelijk uitspraak in is gedaan. Daarmee is het belang van de bewindvoerder dat aan hem een machtiging wordt verleend, en derhalve aan een uitspraak in deze procedure, komen te vervallen. Ook beschikt het hof niet over het inleidend verzoek van de bewindvoerder van 25 mei 2020, zodat het hof simpelweg niet in staat zou zijn om vorenbedoelde toets, te weten: of er sprake is van een lichtvaardig besluit tot procederen, uit te voeren.
De uitspraak op rechtspraak.nl