Hof Den Haag 28 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1598
Naar het oordeel van het hof is er op dit moment geen noodzaak om een bewind en/of mentorschap in te stellen omdat op een andere wijze passende voorzieningen zijn getroffen waarvoor de rechthebbende zelf heeft gekozen nu de rechthebbende een (rechtsgeldig) levenstestament heeft opgemaakt. Via dit levenstestament heeft de rechthebbende gezorgd voor een algemene volmacht aan zijn partner om zijn vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen en heeft hij zijn partner als medisch gevolmachtigde aangewezen om hem te vertegenwoordigen op medisch gebied. Het doel dat de rechthebbende met het levenstestament voor ogen heeft, zou op onaanvaardbare wijze worden gefrustreerd door zonder voldoende grond anderen tot bewindvoerder en/of mentor te benoemen. Daarmee zou de autonomie van de rechthebbende op onaanvaardbare wijze geweld worden aangedaan. In dit verband wijst het hof mede op artikel 12 van het VN-Verdrag uit 2006 inzake de rechten van personen met een handicap en de daaruit voortvloeiende verplichting om de beschikkingen die iemand treft met het oog op mogelijke handelingsonbekwaamheid in de toekomst, te respecteren.
De uitspraak op rechtspraak.nl