Hof Den Haag 21 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1504
De moeder van de minderjarige is overleden. Het hof is het eens met de vervangende toestemming voor erkenning door de vader op grond van het Surinaamse afstammingsrecht zoals door de rechtbank gegeven. De minderjarige, die inmiddels 2 jaar oud is, verblijft sinds zijn geboorte bij zijn tante, eerst in Nederland en nu in België. De tante heeft de voogdij over de minderjarige. De vader woont met een broer en zus van de minderjarige in Suriname. De vader wil dat de minderjarige bij hem verder opgroeit in zijn gezin in Suriname en verzoekt om het gezag. Het hof oordeelt dat het belang van de minderjarige zich niet verzet tegen toewijzing van dit verzoek. Hierbij neemt het hof met name ook in aanmerking de visie van de raad voor de kinderbescherming dat de minderjarige weliswaar gehecht is aan de tante maar dat hij zich opnieuw kan hechten als sprake is van een stabiele woonomgeving met een vaste opvoeder. Het hof overweegt dat de minderjarige een (biologische) vader heeft die beschikbaar en bereid is om de verzorging en opvoeding op zich te nemen. Voorts is het hof van oordeel dat de gehechtheidsrelatie tussen de minderjarige en de tante geen reden kan zijn om het verzoek van de vader tot gezag af te wijzen. Het hof merkt hierbij op dat het positief is dat de vader en de tante van plan zijn samen te zorgen voor een rustige en zorgvuldige overgang met behoud van het contact tussen de minderjarige en de tante. Het hof benadrukt dat het goed zou zijn als er hierbij hulpverlening wordt ingeschakeld.
De uitspraak op rechtspraak.nl