Hof Den Haag 13 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:127

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van art. 26 Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) aan belanghebbende de waarde van de onroerende zaak voor het belastingjaar 2018 bekendgemaakt. De waarde is bepaald met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode. In geschil is of de Heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden en in het verlengde daarvan of de Rechtbank de zaak terecht naar de Heffingsambtenaar heeft teruggewezen. Voorts of de proceskostenvergoeding door de Rechtbank naar het juiste bedrag is vastgesteld. Het Hof is van oordeel dat aan belanghebbende het gehele bezwaardossier is verstrekt. In zoverre is dus voldaan aan artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Belanghebbende heeft echter een voldoende concreet en tijdig verzoek om gegevens als bedoeld in art. 40, lid 2, van de Wet WOZ gedaan. Vast staat dat de Heffingsambtenaar geen nadere stukken aan belanghebbende heeft verstrekt met betrekking tot de gegevens die hij aan de onderbouwing van de waarde van de onroerende zaak ten grondslag heeft gelegd. In zoverre heeft de Heffingsambtenaar niet voldaan aan de op hem rustende verplichting van art. 7:4, lid 2, Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken gedurende ten minste een week voorafgaand aan het horen voor belanghebbende ter inzage te leggen. Daarmee kleeft er een gebrek aan het horen waardoor belanghebbende - in beginsel - is benadeeld. Anders dan de Rechtbank ziet het Hof daarin echter geen aanleiding de zaak naar de Heffingsambtenaar terug te wijzen. Enerzijds omdat de Heffingsambtenaar (reeds) in beroep de waarde niet langer onderbouwt met gebruikmaking van de huurwaardekapitalisatiemethode. Terugwijzing daarvoor dient dan geen doel meer. En anderzijds omdat het in dit geval voor rekening van belanghebbende dient te komen dat hij niet is gehoord. De Rechtbank had de zaak dus zelf inhoudelijk moeten behandelen. Voor het bepalen van de proceskostenvergoeding volstaat een wegingsfactor 0,5 aangezien het beroep enkel gegrond is omdat het recht op inzage is geschonden. Het Hof wijst de zaak terug naar de Rechtbank voor behandeling van het geschilpunt met betrekking tot de waarde van de onroerende zaak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken