Hof Den Haag 1 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2383

Hoewel de overschrijding van de beroepstermijnen tussen partijen geen punt van geschil is en zij beiden concluderen tot ontvankelijkheid van de beroepen stelt het Hof dat de wettelijke voorschriften met betrekking tot de termijn voor het indienen van beroep voorschriften zijn van openbare orde die de rechter ambtshalve dient te toetsen. Belanghebbendes beroep is onder meer gericht tegen de beschikking tot ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2013. Hoewel belanghebbende eerst in bezwaar had moeten gaan tegen de beschikking alvorens hij beroep kon instellen, acht het Hof het tegen de beschikking gerichte beroep ontvankelijk gelet op de in de wet geboden mogelijkheid tot rechtstreeks beroep (prorogatie), de instemming van partijen en om redenen van proceseconomie. Belanghebbendes beroep is voor zover dat is gericht tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 niet-ontvankelijk omdat hij geen procesbelang heeft. Voor zover het beroep is gericht tegen de (navorderings)aanslag IB/PVV 2014 geldt dat het beroep te laat is ingediend. Dit brengt mee dat het Hof enkel de klachten tegen de aanslag IB/PVV 2013 inhoudelijk kan beoordelen. Het inhoudelijke geschil heeft betrekking op door belanghebbende als kosten in aftrek gebrachte, gewerkte uren waarvoor hij niet is betaald. Omdat de gewerkte uren niet daadwerkelijk hebben geleid tot uitgaven zijn de in de aangifte IB/PVV 2013 in aftrek gebrachte kosten terecht gecorrigeerd. Belanghebbendes stelling dat het door de Inspecteur ingediende verweerschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard en niet bij de beoordeling kan worden betrokken, volgt het Hof niet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken