Hof Den Haag 4 november 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2111
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank wegens het uitblijven van uitspraken op de door hem tegen enige WOZ-beschikkingen gemaakte bezwaren. Vervolgens doet de Heffingsambtenaar alsnog uitspraken op bezwaar, waarin hij volledig tegemoetkomt aan de bezwaren. Belanghebbende trekt zijn beroepen in en verzoekt om een proceskostenvergoeding ex artikel 8:75a Awb en nadien nog om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep is de belangrijkste vraag wanneer de redelijke termijn voor het bepalen van de omvang van de vergoeding van immateriële schade eindigt. Is dat op de dag van de uitspraak van de Rechtbank (30 januari 2020), van de intrekking van het beroep (24 april 2019) of van de tegemoetkoming door de Heffingsambtenaar aan de bezwaren van belanghebbende (26 maart 2019)? Omwille van de proceseconomie merkt het Hof het verzoek tot vergoeding van immateriële schade aan als te zijn gedaan gedurende de procedure bij de Rechtbank tegen het schadeveroorzakende besluit (artikel 8:91, lid 1, Awb). Aangezien de Heffingsambtenaar in de uitspraken op bezwaar geheel aan belanghebbende is tegemoetgekomen, is met deze uitspraken een einde gekomen aan het geschil dat belanghebbende en de Heffingsambtenaar verdeeld hield (de hoofdzaak). Hiermee is tevens een einde gekomen aan de spanning en frustratie die voor belanghebbende met het geschil gepaard ging. Indien na intrekking van het beroep nog slechts de proceskostenvergoeding in geding is, moet voor het einde van de redelijke termijn van de procedure in de hoofdzaak daarom worden aangesloten bij de datum waarop geheel aan de bezwaren van belanghebbende is tegemoetgekomen (26 maart 2019). De redelijke termijn voor de gezamenlijke fase van bezwaar en beroep van twee jaar is in dit geval niet overschreden, evenmin als de redelijke termijn van de procedure over de proceskostenvergoeding. De Rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn dan ook terecht afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl