Hof Den Haag 6 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2031
De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 aanslagen in de watersysteemheffing (Wsh) en de zuiveringsheffing (Zh) van het Hoogheemraadschap van Delfland opgelegd. In hoger beroep stelt belanghebbende zich op het standpunt dat: 1e. de aanslagen niet door een daartoe bevoegde functionaris zijn opgelegd en de uitspraak op bezwaar niet door een daartoe bevoegde functionaris is gedaan; 2e. de in de Verordening Wsh en in de Verordening Zh vastgestelde tarieven van de watersysteemheffing en de zuiveringsheffing onverbindend zijn omdat zij leiden tot hogere heffingsopbrengsten dan wettelijk is toegestaan; 3e. de Kostentoedelingsverordening onverbindend is; 4e. de Rechtbank ten onrechte heeft beslist dat van schending van de hoorplicht geen sprake is; 5e. de Rechtbank een brief van belanghebbende heeft ontvangen en in haar uitspraak ten onrechte niet op deze brief is ingaan; 6e. de Rechtbank de zaak van belanghebbende en de zaken van twee ander belastingplichtigen ten onrechte als samenhangende zaken heeft aangemerkt. Naar het oordeel van het Hof falen alle hogerberoepsgronden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 120 Wschw
- Artikel 123 Wschw
- Artikel 124 Wschw
- Artikel 232 Gemw
- Artikel 3:42 Awb
- Artikel 4:17 Awb
- Artikel 6:22 Awb
- Artikel 8:41a Awb
- Artikel 8:75 Awb
- Artikel 3 BPB
- Artikel 116 WSW
- Artikel 117 WSW
- Artikel 120 WSW
- Artikel 122d WSW
- Artikel 124 WSW
- Artikel 4.24 Waterschapsbesluit
- Artikel 4.52 Waterschapsbesluit
- Artikel 4.55 Waterschapsbesluit
- Artikel 6.1 Waterschapsbesluit
- Artikel 6.10 Waterschapsbesluit