Hof Den Haag 11 augustus 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1571
Belanghebbende woonde in 2015 in Nederland, en was in dienstbetrekking werkzaam bij een Zwitserse vennootschap. Hij werkte in diverse landen aan boord van een schip dat wordt gebruikt voor het leggen van offshore pijpleidingen in diverse waterdiepten. Op grond van artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag Nederland-Zwitserland mag de beloning die een inwoner van één van de staten verkrijgt ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, worden belast in de staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de scheepvaartonderneming is gelegen. Het Hof oordeelt dat uit het OESO-commentaar volgt dat internationaal verkeer ziet op het commerciële vervoer van personen of goederen in eigenlijke zin. Het schip wordt geëxploiteerd voor het leggen van pijpleidingen. Voor, na of gedurende het verrichten van deze activiteit kan sprake zijn van het vervoer van personen of goederen, zoals het transport van pijpsecties, maar dit vervoer is bijkomstig aan de hoofdactiviteit waarvoor het schip wordt ingezet. Dergelijk vervoer kwalificeert niet als (commercieel) vervoer van personen of goederen. Artikel 15, derde lid, van het verdrag is daarom niet van toepassing. Nederland heeft het exclusieve heffingsrecht over de inkomsten. Veder oordeelt het Hof dat belanghebbende, bij gebrek aan een inhoudingsplichtige voor de loonbelasting, een vrijstelling op grond van de werkkostenregeling van 1,2% kan toepassen op het belastbare loon.
De uitspraak op rechtspraak.nl