Hof Den Haag 7 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1272

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2012 aanspraak gemaakt op milieu-investeringsaftrek (MIA). De aanslag is zonder inhoudelijke beoordeling conform de aangifte opgelegd. Nadien heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag opgelegd waarbij de verleende MIA is gecorrigeerd. In hoger beroep is geoordeeld dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan en is de navorderingsaanslag vernietigd (uitspraak van dit Hof van 3 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1657). In deze procedure is in geschil of belanghebbende terecht stelt dat zulks betekent dat hij ook voor de jaren 2013 en 2014 recht heeft op MIA inzake dezelfde investeringsverplichting. Het Hof wijst die stelling af omdat niet aan de wettelijke vereisten voor toepassing van de MIA is voldaan, conform het eerdere oordeel van dit Hof over de aanslag voor het jaar 2013 (uitspraak van 19 december 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:4130). Geen rechtsregel verhindert de Inspecteur om bij de vaststelling van de aanslag naar aanleiding van een ingediende aangifte te toetsen of is voldaan aan de vereisten voor een in de aangifte opgenomen aftrekpost. Dit geldt ook in het geval in een voorafgaand jaar met betrekking tot dezelfde investeringsverplichting MIA is verkregen, tenzij deze berust op een (impliciete of expliciete) standpuntbepaling door de Inspecteur of de door belanghebbende verkregen indruk daarvan. Aangezien de aangifte IB/PVV 2012 geautomatiseerd is afgedaan, kan niet worden gezegd dat de Inspecteur in redelijkheid de indruk bij de belastingplichtige heeft kunnen wekken dat de aanslag IB/PVV 2012 berustte op een weloverwogen standpuntbepaling. Van schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken