Hof Den Haag 15 januari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:98
De aandelen van de werkmaatschappij, belanghebbende, zijn sinds haar oprichting in bezit van een Holding. Tot 1 januari 2009 waren E en D werknemer van de Holding. Per die datum heeft een structuurwijziging plaatsgevonden. E en D zijn per die datum in dienst getreden bij hun personal holding. Belanghebbende heeft een managementovereenkomst gesloten met de Holding op grond waarvan de Holding tegen vergoeding – zich belast met het management van belanghebbende. Op grond van een managementovereenkomst tussen de Holding en de personal holdings van E, D en een derde, zijn laatstgenoemden tegen vergoeding - belast met het management van de Holding. De inspecteur, die stelt dat tussen E en D enerzijds en belanghebbende anderzijds een arbeidsovereenkomst bestaat en zij verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen, legt voor de jaren 2012 tot en met 2015 naheffingsaanslagen loonheffing op aan belanghebbende. De Rechtbank oordeelt dat de inspecteur zijn stelling niet aannemelijk heeft gemaakt, aangezien er het nodige is veranderd per 1 januari 2009, zoals de wijziging in (de hoogte van) de managementbeloning, de wijziging in de privéaansprakelijkheid en de toezending van facturen met omzetbelasting. Het hof oordeelt: E en D zijn geen werknemer in de zin van de ZW, WW en WAO/WIA en niet verzekerd voor deze wetten. Zij staan niet in een privaatrechtelijke of fictieve dienstbetrekking tot belanghebbende in de zin van resp. art. 3 en 5 van de ZW. De stelling dat belanghebbende, de Holding en de holdings van E en D reële praktische betekenis missen, is niet met voldoende feiten onderbouwd. De premies werknemersverzekeringen zijn ten onrechte nageheven.
De uitspraak op rechtspraak.nl