Hof Den Haag 9 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:834
Belanghebbende heeft in 2007 een schadevergoeding ontvangen in de vorm van een eenmalige overlijdensschade-uitkering wegens het overlijden van zijn partner als gevolg van een ongeluk. Belanghebbende vindt het onredelijk dat de overlijdensschade-uitkering niet is vrijgesteld van vermogensrendementsheffing in box 3. Het Hof stelt belanghebbende in het ongelijk. De schadevergoedingsuitkering is niet een afzonderlijke bezitting in box 3. De overlijdensschade-uitkering is na de uitkering in het vermogen van belanghebbende gevloeid en maakt daarna onderdeel uit van de grondslag voor de vermogensrendementsheffing. De wetgever heeft in de Wet IB 2001 niet voorzien in enige vorm van vrijstelling of tegemoetkoming in box 3. Met deze keuze is de wetgever naar het oordeel van het Hof niet getreden buiten de hem onder artikel 1 EP toekomende ruime beoordelingsmarge. De rechter is niet bevoegd om de redelijkheid van de wet te toetsen. Het Hof verwerpt tevens het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel. Voor de toepassing van de vermogensrendementsheffing in de Wet IB 2001 wordt voor een schadevergoeding als de onderhavige geen uitzondering gemaakt, evenmin als voor schadevergoedingen ter zake van toegebracht lichamelijk of psychisch letsel. De twee onderscheiden groepen worden voor de inkomstenbelasting derhalve gelijk behandeld. Voor zover belanghebbende zich beroept op schending van het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van de voor de toepassing van de AWIR getroffen tijdelijke overgangsregeling voor letselschade-uitkeringen en tegemoetkomingen voor uitkeringen aan asbestslachtoffers, Sinti- en Sjoah-slachtoffers en slachtoffers van de Volendambrand en uitkeringen uit het zgn. DES-fonds als bedoeld in artikel 9bis Uitvoeringsregeling AWIR faalt dit beroep omdat geen sprake is van rechtens gelijke gevallen nu het onderhavige geschil de Wet IB 2001 betreft.
De uitspraak op rechtspraak.nl