Hof Den Haag 7 maart 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:649

Het hof stelt vast dat van het bevel tot inbewaringstelling en gevangenhouding respectievelijk 36 dagen resteren die tot de aanhouding van verdachte nog niet zijn tenuitvoergelegd. De vraag die het hof dient te beantwoorden is of de dagen vanaf 11 januari tot en met 15 januari van die 36 dagen in mindering gebracht moeten worden. Het hof is van oordeel dat de tijd die is verstreken tussen de aanhouding en de opheffing van de schorsing niet in mindering gebracht dient te worden op de termijn gedurende welke het bevel tot voorlopige hechtenis na de opheffing van de schorsing nog van kracht is. Pas vanaf het moment van de beslissing tot opheffing begint de termijn van de voorlopige hechtenis te lopen. Het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vordering en beveelt de verlenging van de gevangenhouding van de verdachte voor de duur van 60 dagen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen