Hof Den Haag 18 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3523
Op grond van artikel 3.16, lid 4, Wet IB 2001 komen bij het bepalen van de winst kosten en lasten die verband houden met vergoeding van arbeid door de partner van de belastingplichtige niet in aftrek als de vergoeding lager is dan € 5.000. Belanghebbende stelt dat de in de aftrekbeperking bedoelde arbeid alleen ziet op werkzaamheden die worden verricht om eigen financieel voordeel te behalen en dus niet op als vrijwilliger verrichte werkzaamheden. Het Hof oordeelt dat noch de bewoordingen van het artikel noch doel en strekking daarvan steun geven aan de opvatting van belanghebbende.
De uitspraak op rechtspraak.nl