Hof Den Haag 2 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3065
De X groep is actief in de internationale logistieke dienstverlening. Zij heeft haar voor die dienstverlening gebruikte vastgoed ondergebracht in een afzonderlijke divisie. Belanghebbende maakt onderdeel uit van de vastgoeddivisie en heeft door middel van uitgifte van obligaties leningen van respectievelijk € 30 miljoen en € 7 miljoen aangetrokken bij derden. In eerste instantie heeft belanghebbende de lening van € 30 miljoen doorgeleend binnen de groep. In 2013 heeft zij een deel van die lening omgezet in aandelenkapitaal. Met de lening van € 7 miljoen heeft belanghebbende een deelneming verworven van een andere groepsmaatschappij. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 13l Wet Vpb niet tot beperking van renteaftrek leidt. De Rechtbank heeft belanghebbende op grond van het arrest X B.V. (HvJ 22 februari 2018, nr. C-398/16, ECLI:EU:C:2018:110) deels - namelijk wat betreft de deelneming die is verworven met de opbrengst van de obligatielening van € 7 miljoen - in het gelijk gesteld. Zowel de Inspecteur als belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Belanghebbendes beroep op het arrest Argenta (HvJ 26 oktober 2017, C-39/16, ECLI:EU:C:2017:813) wordt door het Hof op grond van een – zo nodig – richtlijnconforme interpretatie van artikel 13l Wet Vpb afgewezen. Ook haar standpunt dat de door de kapitalisatie van de vordering ontstane wederkerige aandeelhoudersrelatie noopt tot aanpassing van de verkrijgingsprijs van de aldus verkregen deelneming, wordt als onjuist verworpen. Ten aanzien van twee (van de drie) investeringen heeft belanghebbende echter wel aannemelijk gemaakt dat sprake is van uitbreidingsinvesteringen als bedoeld in artikel 13l, lid 5, Wet Vpb. Anders dan de Rechtbank, is het Hof van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13l, lid 6, letter c, Wet Vpb. Het hoger beroep van belanghebbende is derhalve deels gegrond. Ook het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep (betreffende het door de Rechtbank gehonoreerde beroep op de 'per-elementbenadering') is deels gegrond. De door de Inspecteur aangevoerde rechtvaardigingsgronden falen op overeenkomstige gronden als in het arrest X B.V. (ECLI:EU:C:2018:110), maar zijn betoog dat bij de bepaling van de omvang van de benadeling rekening gehouden dient te worden met het zogenoemde "goodwill-gat", slaagt. In een geheel binnenlandse situatie zou voeging van de deelneming in een fiscale eenheid met belanghebbende tot gevolg hebben dat het eigen vermogen van belanghebbende zou dalen door manifestatie van het goodwill-gat. Bij de berekening van de bovenmatige deelnemingsrente dient derhalve rekening te worden gehouden met dit lagere eigen vermogen. Het beroep van de Inspecteur op artikel 13l, lid 7, Wet Vpb, wordt verworpen. Het oordeel in het arrest HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1968, dat de vergelijkingsmaatstaf in de per-elementbenadering niet moet worden doorgevoerd tot elementen van de hypothetische situatie waarin de niet-ingezeten dochtervennootschap is opgenomen in een fiscale eenheid met de ingezeten moedervennootschap, brengt mee dat de buitenlandse deelneming ook voor toepassing van artikel 13l, lid 7, Wet Vpb niet hypothetisch als een vaste inrichting moet worden beschouwd.
De uitspraak op rechtspraak.nl