Hof Den Haag 30 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2862

Beschikking verkrijgingsprijs ab-aandelen. Via een BV is belanghebbende participant in een coöperatie. In 2015 vertrekt belanghebbende als manager bij het desbetreffende concern en verkoopt de BV het lidmaatschapscertificaat aan de (J) voor een veel lagere prijs dan die derden in 2015 voor een lidmaatschapsrecht hebben betaald. De Inspecteur is bij de bepaling van de verkrijgingsprijs uitgegaan van de in de participatieovereenkomst genoemde verkrijgingsprijs van het lidmaatschapscertificaat. Volgens belanghebbende is dat niet juist en was de marktwaarde van het lidmaatschapscertificaat ook veel hoger dan de in 2015 door de BV ontvangen koopprijs. Het Hof stelt de Inspecteur in het gelijk. Volgens de participatieovereenkomst had de BV bij belanghebbendes vertrek recht op een koopprijs voor het lidmaatschapscertificaat gelijk aan de marktwaarde. Belanghebbende slaagt er niet in zijn stelling aannemelijk te maken dat de BV met een veel lagere verkoopprijs genoegen moest nemen omdat belanghebbende verantwoordelijk werd gehouden voor geleden verliezen. Voorts hebben derden bij hun toetreding tot de coöperatie weliswaar bedragen betaald gebaseerd op een hogere waarde van de coöperatie, maar, gelet ook op de sterk wisselende bedragen die aan uittreders zijn betaald voor hun lidmaatschapscertificaten, is onduidelijk gebleven op welke wijze de bij toe- en uittreding te betalen respectievelijk te ontvangen bedragen werden bepaald. Bovendien is het Hof van oordeel dat de BV - als de marktwaarde van het lidmaatschapscertificaat tweemaal zo hoog was als de door de STAK aangeboden koopprijs - aanspraak zou hebben gemaakt op het uit de participatieovereenkomst voortvloeiende recht op een koopprijs gelijk aan de marktwaarde.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken