Hof Den Haag 24 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2634
Het geschil betreft de vaststelling van WOZ-waarden van monumentale onroerende zaken, gelegen op een Nsw-landgoed, voor het jaar 2017. Voorafgaand aan de beoordeling van de standpunten van partijen, bespreekt het Hof enkele kwesties die niet alleen in het onderhavige geschil maar ook in andere WOZ-geschillen een rol spelen: het gebruik van de KOUDV(L)-factoren, het gebruik van een of meer taxatiewijzers en de bewijslevering in geschillen waarin ook de bestemmingswaarde aan de orde is. Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat de marktwaarden waarvan hij bij de bepaling van de door hem in hoger beroep voorgestane waarden is uitgegaan, niet te hoog is. Belanghebbenden zijn er evenmin in geslaagd aannemelijk te maken dat de marktwaarden waarvan hij bij de bepaling van de vastgestelde waarde is uitgegaan, niet te laag is. Uit het vorenstaande volgt dat geen van beide partijen erin is geslaagd het van haar verlangde bewijs met betrekking tot de marktwaarden van de onroerende zaken te leveren. Het Hof bepaalt deze waarden daarom schattenderwijs. Wat betreft de correctie van de marktwaarden op de voet van artikel 17, lid 5, Wet WOZ (de bestemmingswaarde) beperkt het geschil zich tot de vraag of de door de Heffingsambtenaar in aanmerking genomen instandhoudingsfactor op grond van de zogenoemde bezitseis mag worden verlaagd en zo ja, of de instandhoudingsfactor vervolgens kan worden afgerond. Het Hof beantwoordt deze vragen ontkennend.
De uitspraak op rechtspraak.nl